Pagina:Longinus - Over de verhevenheid.pdf/23

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


iets over de Verhevenheid in het licht te geven, lust het ons te beproeven, of wij misschien iets mogten opgemerkt hebben, ’t welk voor staatkundige en geregtelijke redenaars van nut kon wezen. Gij, mijn vriend! zult mij, gelijk uwe geaardheid medebrengt en uw pligt vordert, over elk gedeelte van dit werk uw oordeel zonder eenige verbloeming melden. Want te regt verklaarde een wijze onze gelijkheid aan de Goden daarin te bestaan: dat wij weldadigheid oefenen en der waarheid hulde doen[1]. Daar ik tot u, mijn waardste, schrijve, die geen vreemdeling zijt in de wetenschappen, mag ik mij schier ontslagen achten van de verpligting, om vooraf met vele woorden te verklaren, dat het verhevene datgene is, ’t welk in redevoeringen uitmunt en naast aan de volmaaktheid komt; en dat de voornaamste dichters en redenaars zich eeniglijk hierdoor den eersten rang verworven en hunnen roem onsterfelijk gemaakt hebben. Het verhevene namelijk strekt niet zoo zeer, om de toehoorders te overreden; maar, dat meer is, het brengt hen

  1. Pythagoras, naar de getuigenis van Elianus. Zie zijne variae Histor. L. XII. C. 59, waar men het volgende leest: „Pythagoras heeft gezegd, dat waarheid te spreken en weldadigheid te oefenen de twee schoonste geschenken zijn, den menschen door de Goden medegedeeld, en hij heeft er bijgevoegd, dat het een en ander overeenkomst heeft met het bedrijf der Goden.”