Naar inhoud springen

Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/104

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

DEN SINT PIETERS BERG. 69 opening fchijnt te hebben dan die, waardoor men 'er in gekoomen is. Wij waren tot in de helft van dat hol gevor- derd wanneer wij bij het fakkel-licht in de verte iets zagen leggen dat naar een mensch geleek, dat op den grond lag uitgeftrekt als of hij fliep. Dit vermoeden fcheen zig te beves- tigen naar maate wij meer naderden, en dat mensch wekte onze aandacht meer en meer op, wanneer het licht, dat hem nu begon te befchij- nen, ons in hem een lijk deed befpeuren. De plaats, de toeftand van dien ongelukkigen wekte bij ons eene verbaasdheid, van afgrijzen verzeld. Het was niet meer dan een uitgedroogd geraam- te, dat gekleed was; naast zijn hoofd lag een hoed, zijne fchoenen waren van zijne voeten en bij zijne eene hand lag een roozen-krans. Men giste aan zijne kleeding dat hij een arbeider moest zijn, die, in die onderaardfche gangen verdoold geraakt zijnde, aldaar van honger en wanhoop geftorven was. De ftaat van volkoomen uit- drooging, waarin hij zig bevond, deed gisfen dat het meer dan zestig jaaren moest geleden zijn dat die rampzalige zig in dat uitgeftrekt graf levendig had begraaven. Het is waarfchijnlijk dat 'er zedert dien tijd niemand in deeze galerij gekoomen was; het E 3 was