90 NATUURLIJKE HISTORIE VAN Alle deeze laatfte vertoonen zig zoo duidlijk niet, en laaten flechts eene min of meer groote punt zien; maar ik heb deeze maat bevonden aan eenen der tweede tandjens, die geheel bloot is, in eenen afgezonderden wortel, die buiten de tand-kas is: men zal dien tand op eene der plaaten gegraveerd vinden. Men ziet zeer duidlijk, op het geheel onderst gedeelte van het kaakbeen, de kleine langwerpig ronde gaatjens, die tot de inplanting der zenu- wen dienen, elf in getal, op eene zelfde lijn gefchikt, terwijl aan het eind van het been naar den fmoel van het dier, de kleine inplantingen, digter bij elkanderen ftaande en zeer vermenigd- vuldigd zijnde, bijna de geheele oppervlakte van dat gedeelte van het been beflaan in de ruimte van omtrent tien duimen. 3°. Onmiddelijk onder het kaakbeen, waar- van ik zoo even gewag gemaakt heb, is nog een tweede, ten naasten bij van dezelfde gedaan- te en grootte, maar wat minder wel bewaard; men telt 'er dertien tanden in, die zig vertoo- nen; de andere zijn door flukken been bedekt en verborgen. Ter zijde ziet men twee tanden buiten hunne tand-kasfen geworpen, waarvan de punten met elkanderen overeenkoomen. 4°. Een vierde been van het kaakbeen, dat WA de=
Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/128
Uiterlijk