Naar inhoud springen

Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/136

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

DEN SINT PIETERS BERG. 95 venst kaakbeen, van binnen gezien. Men on- derfcheidt 'er negen groote tanden in met hunne uitfteekende wortelen, waarvan vijf in hunne volkoomenheid zijn, de andere zijn befchadigd. Alzoo het dier, volgens het volledig gedeelte van een der kaakbeenderen van plaat IV 'er veer- tien moet hebben, ontbreeken 'er vier; ook is het agterfte gedeelte vergaan. Het is van belang aantemerken dat twee van de best bewaarde tanden van dat ftuk kaak-been, in hunnei wortelen, eenen van die kleine tweede tandjens bloot vertoonen, dat 'er uit fpruit, het- welk dat dier bijzonder eigen is. De een deezer tanden, de negende, als men van het eind van het kaaken-been begint te tellen, is in het midden van den wortel geplaatst en koomt in eene regte lijn overeen met den grooten tand, terwijl de andere, die de vierde is, zijn hulp-tandjen heeft, dat aan het grondftuk van den wortel naast de moeder-tand is uitgefchoten, hetwelk bewijst, gelijk men nog meer bijzonder in het vervolg zal zien, dat de natuur in de bewerk- tuiging van die zonderlinge tanden geenen een- vormigen gang gehouden heeft.lblood in gan 2. Onder het kaakbeen, dat wij befchreven hebben, is een ander, dat minder bewaard is gebleven, dat maar één voet zeven duimen lengte maddari heeft,=