DEN SINT PIETERS BERG. 143: ANDER GEWEI VAN EEN VIERVOE- TIG DIER, NAAR DEN ELAND 123 GELIJKENDE. EN VERSCHILLENDE BEENDEREN NEW NAAST EENE SCHULP. De PLAAT XVI. 93 ฟ e tak, dien men aan de flinker-zijde van den fteen, op deeze plaat afgebeeld, ziet, heeft elf duimen en zes lijnen hoogte en vijf duimen zes lijnen breedte van onderen; hij eindigt in vier langwerpige tepels, van welke de middenfte dubbel zijn, hetgeen in het geheel zes punten of aanhangzels vormt. Dat gedeelte van het gewei heeft meer overeenkomst met het gewei van den eland dan met dat van enig ander dier van dat geflacht. De beenachtige rib, die in het midden van den fteen is, is ten naasten bij van dezelfde lengte als het gewei, dat ik hier boven befchre- ven heb; derzelver breedte is twee duimen; de gedaante is gedraaid en derzelver netwijze zelf. ftandigheid is fponsachtig, gelijk die van zekere viervoetige land dieren; maar die kenmerken zijn niet genoegzaam om dat been, of liever dat
Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/209
Uiterlijk