Naar inhoud springen

Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/212

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

146 NATUURLIJKE HISTORIE VAN STUK VAN HET GEWEI VAN EEN -796W Dit DIER VAN HET GESLACHT WHO DER HERTEN. PLAAT XVII. it ftuk van het gewei van een Hert, of van enig ander dier van dat geflacht, want het is moeijelijk daaromtrent iets ftelligs te verzee. keren, heeft elf duimen zes lijnen lengte, als men 'er de kromte onder rekent. deg De afftand van den eenen tak tot den anderen is zes duimen in deszelfs grootften afftand; het is mogelijk dat hetgeen den fchijn heeft van een' tak te zijn flechts het fteun-punt of de takfchieting zij, die andere takken droeg, en dan zou dat gewei een dier toebehoord hebben, dat nader bij den eland dan bij het hert kwame. De grootfte dikte van dat gewei is van twee duimen middellijn; het is aan elk eind en in het midden gebrooken, en het is te denken dat uit dat middenpunt nog een andere tak of fpies kwa- me, die vermorfeld zal zijn. Het zaamenweef zel van dat gewei, dat door langheid van tijd veranderd is, waardoor het wat vergruisbaar geworden is, is als dat van de gegraaven her- I ten-