Naar inhoud springen

Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/28

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

INLEIDING. 5 Het fchijnt dat 'er iets zij dat ons, als tegens dank, naar die natuur trekt, van welke wij een gedeelte uitmaaken, en men kan hier niet aan twijfelen; want, zelfs in den tegenswoordigen. ftaat van onze zeden, zoo dikwerf een te lang- duurige omgang met menfchen de eenvoudigheid van onze fmaaken en hebbelijkheden verbasterd heeft, en wij van alles verzadigd zijn, keeren wij ons weder met vermaak naar diezelfde natuur; wij zoeken haar om haar te raadpleegen, en van den eenvoudigften herder tot hem, die zijne zedelijke vermogens meest geöefend heeft, heeft ieder zijne wijze van haar te ondervraagen, en alle, zonder uitzondering, winnen daarbij zui- vere genietingen. Het zou niet zwaar vallen die waarheid klaar- blijklijk te maaken, en zelfs door meer dan een feit te bewijzen dat, zoo mannen van groot ver- nuft, die tot hooge ampten geroepen zijn, vrij geweest waren om zig op de natuurkundige weetenfchappen toeteleggen, zij in hunne keuze niet zouden geäarfeld hebben. En waarlijk fteunt deeze vermaaklijke beöefe- ning niet op duizendmaalen vaster grondflagen dan die der ftaatkunde, van welke men al het nietige kent, dan die van den oorlog, die, on- der voorwendzel van te behouden, flechts ftrekt A 3. on