DEN SINT PIETERSBERG. 209 maakt, welker takken door de zee befpoeld worden. Zij maakt er zich aan vast, waarfchijn- lijk niet door middel van haakjens, gelijk de oes- ters van de manglesbomen, maar door zich vol- maakt te fluiten op de rolronde takken, welke zij naauw omvat. Het zou echter zeer mogelijk zijn dat deze oester, in plaats van zich aan de bomen vast te hechten, zich aan ronde fchulpen vastmaakte. Fig. 3. Bovenfte klep van ene kleine Ostraciet, die de gemene oester (Ostrea edulis van LIN- NEUS Sijst. Nat. Sp. 105.) vrij nabij komt. Doch deze vertoont enen uitftekenden zoom op den linker rand van de fchulp. Fig. 4. Andere bovenfte klep van ene kleine Ostraciet, waarvan het geflacht moeielijk kan bepaald worden, omdat zij niet genoeg onder- fcheidende kenmerken bezit. Fig. 5. Deze zonderlinge fchulp, die geplaatst fchijnt te moeten worden onder het geflacht der oesters, is volftrekt onbekend: hare brede ge- daante, de foorten van golvende plooien, die haar bedekken, en de oren, die haar van andere fchulpen onderfcheiden, maken het moeilijk haar geflacht te bepalen. 30 Fig. 6 a en b is een fteenborer (Mijtilus Li- tophagus), die zeer zonderling is, daar hij, in PA plaats
Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/293
Uiterlijk