210 NATUURLIJKE HISTORIE VAN plaats van de kalkachtige ftenen te doorboren, gelijk de andere fteenborers, van ene fteenachtige fchede omringt is, en ene bijzondere foort vormt, waarvan de wedergade nog onbekend is. BRU- GUIERE, verlegen waar hij de fteenborers plaat- fen moest, heeft ze in het geflacht der Mijtilus. fen gelaten. LA MARCK heeft er een bijzon der geflacht van gemaakt (genre 101) onder den naam van Modiole. Modiola. Fig. 7. Zeer kleine Ostracieten, welke men in verfcheiden ftenen uit den omtrek van Maas. tricht verfpreid vindt. Het is waarfchijnlijk, dat het flechts zeer jonge oestertjens zijn, die nog niet volwasfen waren. Men vindt dergelijken in den zandachtigen grond van Grignon, Chau- mont, Courtagnon, en in den fchulp-grond van Touraine Men kan de foort, waartoe zij be- horen, niet naauwkeurig opgeven. Fig. 8. Gegraven kam- doublet met fijne ftre. pen, bijna zo dun als papier. Wanneer men in de fchulpkunde nog niet veel ondervinding en een geoefend oog had, zou men in den eerften opflag denken, dat men bepalen kon, tot welke weder- gade deze Kam-doublet, moest gebragt worden; doch wanneer men haar naauwkeuriger in alle ha- te bijzonderheden nagaat, vindt men er verfchil.. len
Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/294
Uiterlijk