INLEIDING 7 den hem met geduurige waarneemingen bezig, en vereenigen enigermaate de genietingen van den geest met die, welke hij uit eene fterke ge- zondheid en uit de gewoonte van midden in de natuur te leeven kan fcheppen. bazi Daar beftaat dan eene krachtige aantreklijk heid, die alle menfchen in het algemeen tot de befchouwing en waarneeming van diezelfde natuur aanlokt. Het is die aantreklijkheid, wel, ke, zedert de menfchen in maatfchappij leeven en zig aan de weetenfchappen hebben kunnen wijden, hen aandrijft om zig met drift met die beöefening, zoo aangenaam als nuttig, bezig te houden. Men is verwonderd, zoo dikwijls men, PLI- NIUS leezende, de talrijke lijst van Griekfche en Latijnfche fchrijvers ziet, uit welke hij ge- put heeft, en welker getuigenisfen hij aanhaalt; het fchijnt dat 'er geen tak van natuurlijke his- torie, geene der onderverdeelingen van diezelf de takken in alle de rijken geweest zijn, welke die fchrijvers niet, als om ftrijd, om zoo te fpreeken, hebben uitgeput (a), en als men na- 66 denkt sib fotaract (a) Ik heb, PLINIUS voor de tiende reize leezen- de, eens willen weeten hoe veele fchrijvers hij heeft aangehaald, mij egter bepaalende tot degeene, die A 4 bij-
Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/30
Uiterlijk