Naar inhoud springen

Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/323

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

DEN SINT PIETERS BERG. 229 dige plaatst, in zijn dikwijls aangehaald werk, de zee appelen in de eerfte afdeling zijner Radi- aires echinodermes, en noemt de voorwerpen uit deze afdeling Echinides, welke hij in 8 ge- flachten verdeelt, waarvan hij het eerfte zee.ap- pel, Ourfin, Echinus, het twede Galerites, het derde Echinoné, Echinoneus, het vierde Nucleolite, het vijfde Ananchite, het zesde Spatangue, het zevende Casfidule en het agtfte Clypeastre noemt. Men kan niet ontveinzen, dat deze keus van woorden weinig met den geest der Franfche taal overeenkomt; en het is te wenfchen, dat LA MARCK in ene nieuwe uitgave van zijn werk aan het algemeen gevoelen genoegen zal geven, het welk zich eindelijk duidlijk tegen dergelijke ongepaste benamingen verklaard heeft, welke te gelijk den finaak, het oor en het gezond ver- ftand beledigen. Fig. 1. Ene Echiniet bol van rug, plat aan de zijden, met ene fter met vijf ftralen, het achterfte een weinig verwijderd van de zij lijn, de mond omringd met bloem fieraden, welke haar de gedaante van ene kleine rofet geven. Ik befchouw deze Echiniet als onuitgegeven. Fig. 2. Ene Echiniet van ene rondachtige ge- daante, het achterfle volkomen op zij; de rug met