Naar inhoud springen

Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/35

Uit Wikisource
Deze pagina is niet proefgelezen

12 INLEIDING. Ik verftaa hier alleen door gegraaven lighaa- men de lighaamen, die aan land- of zee-dieren, of aan gewasfen hebben toebehoord, die men dan in blokken, min of meer harden fteen, dan in laagen zand, klei of andere ftoffen vindt, op deeze of geene hoogten op de bergen, of in deeze of geene diepte in de valleien nedergezet. Deeze aldaar gebragte lighaamen moeten dikwijls befchouwd worden als het werk van eene ftille en ftilftaande zee, die de fchulpdieren, de ma- dreporen en visfchen toeliet op dezelfde plaat- fen, daar men hen nog vindt, te leeven en zig te vermenigvuldigen, fchoon de zee 'er nu niet meer is; dan moet men dezelve weder befchou. wen als toevallig door eene groote omwenteling, die eensklaps het geheele vak waters verplaatst heeft, vervoerd; in een woord, duizend andere omftandigheden, die alle en langen tijd en aller- leie afwisfelingen onderftellen, hebben te zaa- men geloopen om eene menigte voorwerpen en lighaamen, die geene betrekking tot elkanderen hadden, waarvan deeze tot de gewasfen, geene tot de dieren behoord hebben, en waarvan wij in den loop van dit werk meer dan eens zullen fpreeken, op dezelfde plaatfen bij elkanderen te brengen. Het is deeze groote, deeze fchoone befpiege. ling,