DEN SINT PIETERS BERG. 311 verftrooid en begraven hebben, op plaatfen, die onmeetlijk van de plaatfen hunner eerfte woning verwijderd zijn, en welker overblijffelen van beenderen, nog alle hare kenmerken be- waard hebbende, dan eens onder zandheuvelen gemengd met ftof van fchulpen en ftukken van Madreporen, dan eens in bladachtige lagen van kleiachtige ftenen, dan eens onder grote hopen klei, en dan wederom in het midden van ban- ken van ene fteen, zo hard als marmer, ver- mengd met Ammons hoornen, gevonden worden. Dit laatste, dat onbetwistbaar is, en bewezen kan worden door de groeven van Altdorf, zo iemand het in twijfel mogt trekken, en nog ge maklijker in de gaanderijen voor voorwerpen uit de natuurlijke hiftorie van den keurvorst van de Palts te Manheim, door het befchouwen van den fchonen kop des Gavials, die daar gevonden wordt en uit dezelfde groeven gehaald is, dit laatfte, zeg ik, verdient vooral de overdenking van allen, die zich ernftig met de beoefening der natuurlijke hiftorie onzer aarde bezig houden. Vruchteloos zoude men willen tegenwerpen dat de ammonshoornen, die in het zelfde mar- mer naast dezen Gavial gevonden worden, zo wel als de overige foorten van fchulpen, mis- fchien reeds verfteend kunnen geweest zijn, voor
Pagina:MU W J IV 4 - deel 1 en 2 - Natuurlijke historie van den St. Pieters berg bij Maastricht.pdf/429
Uiterlijk