heb ik zoo min als een vader of moeder — het dorp, waarin ik mijne eerste jeugd doorbracht, heet Chavanon; 't is een van de armste uit het zuiden van Frankrijk.
Die armoede is niet het gevolg van de onverschilligheid of luiheid der inwoners, maar van de onvruchtbaarheid der streek, waarin het gelegen is. De bodem is slechts met eene dunne laag teelaarde bedekt en om een goeden oogst te krijgen, zou men hem zwaar moeten bemesten of verbeteringen aanbrengen, die het land niet oplevert. Men vindt dan ook, of althans men vond in den tijd waarvan ik spreek, slechts zeer weinig bebouwde akkers, maar overal groote heivlakten met kreupelhout en braamstruiken. Waar de heidevelden eindigden, begonnen de moerassen; en over die hooggelegen moerassen blaast de snerpende wind en verschrompelt het loof van de boschjes uit enkele boomen bestaande, die hunne knoestige en kromme takken her- en derwaarts uitstrekken.
Om mooier boomen te vinden, moet men de hoogten verlaten en de plekjes zoeken welke tegen den wind zijn beschut, aan den oever der riviertjes, waar op smalle strooken weiland groote kastanjeboomen en stevige eiken groeien. Op een van die half-verborgen plekjes, aan den zoom van een beek waarvan de snelvlietende golfjes zich verliezen in een der armen van de Loire, lag het huis, waar ik mijne eerste levensjaren doorbracht.
Tot op mijn achtste jaar had ik nooit een man in dat huis gezien. Toch was mijne moeder geen weduwe, maar haar man was steenhouwer en zooals de meeste andere werklieden uit deze streek, verdiende hij den kost in Parijs en hij was niet teruggekomen sedert ik groot genoeg was om te begrijpen wat ik hoorde en zag. Slechts nu en dan liet hij iets van zich hooren, als een van zijn makkers in het dorp kwam.
— Vrouw Barberin, je man maakt het goed; hij heeft me verzocht u tę zeggen dat hij veel werk heeft en mij dit geld voor u meegegeven. Wil-je het eens natellen.
Dat was alles. Vrouw Barberin stelde zich met die berichten tevreden; haar man was gezond; het werk werd goed betaald; hij verdiende den kost.
Al was Barberin zoo lang te Parijs gebleven, daaruit moet men niet opmaken, dat hij op geen goeden voet stond met zijn vrouw. Die bestendige afwezigheid sproot volstrekt niet voort uit gemis aan overeenstemming. Hij woonde te Parijs, omdat hij daar zijn werk had; meer niet. Als hij oud zou zijn geworden, zou hij bij zijn oude vrouw terugkeeren en met het geld, dat zij dan zouden hebben overgelegd, zouden zij gevrijwaard zijn tegen de armoede als de tijd gekomen was,waarin kracht en gezondheid hun hadden begeven.
Op een Novemberdag, toen het reeds avond begon te worden,