Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/109

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

slecht van mij was om die vreemde menschen boven mijn meester te stellen; maar het was de waarheid: ik hield innig veel van mevrouw Milligan en Arthur.

Voordat Rémi hierop antwoordde, vervolgde zij: — Hij moet wel bedenken, dat het geen leven van louter pleizier is, dat ik hem aanbied, maar dat hij wel degelijk moet werken; hij moet studeeren en Arthur in al zijn lessen volgen; hij moet dit wel in overweging nemen en vergelijken met zijn vorige vrijheid.

— Dit kan niet tegen elkander opwegen, mevrouw, dat verzeker ik u en ik gevoel volkomen welk een waarde uw voorstel voor mij heeft.

— Ziet ge nu wel, mama! riep Arthur. Rémi wil wel.

En hij klapte in zijn handen van genoegen. Blijkbaar had ik hem uit de ongerustheid geholpen, want toen zijn moeder van werken en boeken sprak, had zijn gelaat een angstiger uitdrukking aangenomen. Als ik eens weigerde! en deze vrees moest zeer groot bij hem zijn, daar hij een afkeer had van boeken. Gelukkig echter koesterde ik niet denzelfden angst en inplaats dat ik een afkeer van boeken had, trokken zij mij veel eer aan. Het is waar, ik had er nog niet veel gelezen, maar die, welke men mij gegeven had, hadden mij altijd meer genot dan verdriet verschaft. Het aanbod van mevrouw Milligan maakte mij dan ook zeer gelukkig en ik meende het oprecht, toen ik haar bedankte voor haar edelmoedigheid. Ik behoefde dus De Zwaan niet te verlaten en van dit heerlijk leven zou ik geen afscheid nemen; ik behoefde van Arthur en zijn moeder niet te scheiden.

— Wij hebben nu nog slechts de toestemming van zijn meester noodig, ging mevrouw Milligan voort; ik zal hem schrijven en zeggen, dat hij ons te Cette vinden kan, daar wij niet meer naar Toulouse kunnen terugkeeren: ik zal hem de reiskosten overmaken en wanneer ik hem uitgelegd heb, waarom wij niet met den trein kunnen gaan, dan hoop ik, dat hij mijn uitnoodiging zal aannemen. Als hij mijn voorstel goedkeurt, dan behoef ik het nog maar met Rémi's ouders eens te worden, want ook zij moeten hierin geraadpleegd worden.

Tot nogtoe was het gesprek voor mij geheel naar wensch geloopen; het was alsof een goede fee mij met haar stokje had aangeraakt; maar deze laatste woorden deden mij op een wreede wijze tot de werkelijkheid terugkeeren.

Mijn ouders raadplegen!

Ongetwijfeld zullen deze alles vertellen, wat ik verzwijgen wilde. De waarheid zou aan het licht komen. Een vondeling!

Dan zou Arthur noch zijn moeder mij meer willen kennen; dan zou de genegenheid, die zij voor mij hadden opgevat, geheel verdwijnen; de herinnering aan mij zou hun zelfs onaangenaam