Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/11

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hield er voor ons hek een man stil, dien ik niet kende. Ik stond voor de deur van ons huis een boterham to eten. Hij opende het hek niet, maar zijn hoofd er boven stekende, vroeg hij me of hier vrouw Barberin niet woonde.

Ik verzocht hem binnen te komen. Hij opende het hek, dat op de hengsels knarste en kwam op het huis af.

Nooit had ik iemand gezien, die zoo met slijk was bemorst. Gansche plakaten slijk, sommige nog nat, andere al opgedroogd, bedekten hem van het hoofd tot de voeten, en daaruit moest men afleiden dat hij zeer slechte wegen had begaan.

Toen zij zijne stem hoorde, kwam vrouw Barberin naar voren en op het oogenblik, dat hij den drempel had bereikt, stond zij vlak tegenover hem.

— Ik breng nieuws uit Parijs, zeide hij. Die eenvoudige woorden had ik al dikwijls gehoord, maar de wijs waarop zij werden uitgesproken, had niets van die, waarmede vroeger de mededeeling gepaard ging. — »'t Gaat goed met je man; bij heeft druk werk."

— Ach God! riep vrouw Barberin uit, hare handen wringende, dan is er een ongeluk gebeurd met Jerôme.

— Welnu, ja, maar je hoeft niet te sterven van schrik. Hij is gekwetst; dat is alles; maar hij is niet dood. Mogelijk evenwel, zal hij verminkt zijn. Op het oogenblik ligt hij in het ziekenhuis; mijn bed stond naast het zijne en daar ik hierheen ging, verzocht hij nog u dit in het voorbijgaan mede te deelen. Ik kan niet langer blijven, want ik moet nog drie mijlen verder en de nacht begint al te vallen.

Vrouw Barberin, die er meer van wilde weten, drong er op aan, dat hij het avondeten bij ons zou gebruiken, want de wegen waren slecht en men zeide dat zich wolven in den omtrek hadden vertoond. Hij zou den anderen morgen verder kunnen gaan.

Hij zette zich neder in een hoekje bij den haard, en al etende vertelde hij ons hoe het ongeluk zich had toegedragen. Barberin was half verpletterd door eene stelling die ingestort was, en daar men bewezen had dat hij niet had behooren te zijn op de plek waar hij gekwetst werd, weigerde de aannemer hem elke vergoeding.

— Hij boft niet, de arme Barberin, zeide hij; hij boft niet, anderen zouden er een middel in gevonden hebben om levenslang een aardig jaargeld te trekken, maar je man krijgt niets.

En terwijl hij de pijpen van zijn broek droogde die door de slijklaag stijf en hard werden, herhaalde hij „hij boft niet.” Uit de manier waarop hij dit zeide, bleek genoeg, dat hij voor zich gaarne verminkt zou worden in de hoop, dat hij dan een goed jaargeld zou krijgen.