en onze tochten door weer en wind werden hoe langer hoe onaangenamer. Wanneer wij 's avonds een vuile herberg of een schuur tot nachtverblijf hadden gevonden en ik uitgeput van vermoeienis, tot op mijn hemd toe nat en tot over mijn enkels beslijkt was, dan begaf ik mij niet met de gelukkigste gedachten ter ruste.
Toen wij Dijon verlaten hadden, en de heuvels van Côte-d'Or overtrokken, werden wij plotseling door een hevige koude overvallen, die al onze ledematen deed verstijven en Joli-Coeur nog treuriger en knorriger stemde dan mij.
Mijn meester was van plan om Parijs binnen den kortst mogelijken tijd te bereiken; eerst te Parijs zou er voor ons kans bestaan om gedurende den winter eenige voorstellingen te geven; maar hetzij, dat hij geen geld genoeg had om dezen afstand met den trein af te leggen, of om welke andere reden ook, wij moesten te voet den weg volgen, die Dijon van Parijs scheidt.
Als het weer het ons toestond, dan gaven wij een korte voorstelling in de steden of dorpen die wij doortrokken, en wanneer deze ons dan eenig geld opbrachten, dan zetten wij onze reis weder voort.
Tot Chatillon toe ging alles zijn gewonen gang, hoewel wij altijd veel van de koude en nattigheid te lijden hadden; maar toen wij deze stad hadden verlaten, werd het weder droog en draaide de wind naar het noorden.
In het eerst was ons dit welkom, hoewel het lang geen aangenaam gevoel is, als de noordenwind ons vlak in het gelaat waait, maar toch was in elk geval aan dezen scherpen wind nog de voorkeur te schenken boven dien regen en mist, die in de laatste weken zonder ophouden gevallen was.
Ongelukkig echter hielden wij het met dezen wind ook niet droog; donkere wolken pakten zich aan den hemel samen, de zon scheen niet meer en aan alles kon men zien, dat er weldra sneeuw zou vallen.
Waarschijnlijk zouden wij vóór het vallen van de eerste sneeuw een groot dorp hebben kunnen bereiken, maar het plan van mijn meester scheen, om zoo snel mogelijk te Troyes te zijn, omdat Troyes een groote stad is, waar wij verscheidene voorstellingen zouden kunnen geven, als het slechte weer ons dwong, om daar geruimen tijd te vertoeven.
— Ga spoedig naar bed, zeide hij, toen wij in onze herberg waren aangekomen; morgenochtend gaan wij reeds vroeg op reis; maar ik vrees, dat de sneeuw ons zal overvallen.
Hijzelf begaf zich echter niet zoo spoedig ter ruste, maar hij bleef bij de kachel zitten om eerst Joli-Coeur nog wat te verwarmen, welke dien dag veel van de koude had geleden en aanhoudend gesteund en gekermd had, ondanks alle voorzorgen om hem in de noodige dekens te wikkelen.