Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/118

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Den anderen morgen stond ik bij het aanbreken van den dag op, zooals hij mij bevolen had; het was nog donker en aan den zwarten hemel flikkerde geen enkele ster; het was alsof een groot, zwaar deksel op de aarde was neergedaald en deze zou verpletteren.

Als men de deur opende, joeg een scherpe wind door den schoorsteen, die de sintels aanblies, welke men den vorigen avond onder de asch had ingerekend.

— Als ik in uw plaats was, sprak de waardin tot mijn meester, dan zou ik niet vertrekken; het begint zoo straks te sneeuwen.

— Ik heb haast, antwoordde Vitalis, en ik hoop Troyes te bereiken, vóór dat het begint te sneeuwen.

— Dertig mijlen legt men niet gemakkelijk in een uur af.

Toch begaven wij ons op reis.

Vitalis stopte Joli-Coeur onder zijn jas, om hem wat van zijn eigen warmte te geven, en de honden welke blijde waren met dit droge weder, liepen voor ons uit. Mijn meester had te Dijon een schapevacht voor mij gekocht, waarvan ik de wol naar binnen gekeerd had en waarin ik mijn gelaat wikkelde, zoodat de wind, die ons in het gezicht blies, alleen mijn lichaam trof.

Het was niet prettig den mond te moeten openen; wij liepen dus zwijgend naast elkander voort en stapten zoo snel mogelijk door, zooowel om spoediger ons doel te bereiken, als om ons te verwarmen.

Hoewel het uur reeds lang was aangebroken, waarop de zon opging, werd het toch niets lichter om ons heen.

Eindelijk brak in het oosten een witte streep door de duisternis, maar de zon vertoonde zich niet; het was geen nacht meer, maar ik zou toch zeer overdrijven, als ik beweerde, dat het dag was.

Toch kon men de voorwerpen op het veld reeds duidelijker onderscheiden; het witte waas, dat over de aarde verspreid lag, en van het westen uitging, als uit een oven, die op den grond was geplaatst, deed ons het geboomte zien, ontdaan van zijn reusachtigen lommer en hier en daar de heggen, waaraan nog verdorde bladeren hingen, die een dof geluid maakten door den wind, welke ze telkens deed ruischen.

In den geheelen omtrek was geen schepsel te ontdekken; noch het rollen van een rijtuig, noch het klappen met de zweep trof ons oor; de eenige levende wezens, die men hoorde maar niet zag, waren de vogels, die zich tusschen de takken verscholen; alleen de eksters sprongen over den weg, met opgeheven staart en den kop in de lucht, vlogen zij ijlings op wanneer wij naderden om zich boven in een boom te zetten, vanwaar zij ons met hun gekras vervolgden, dat den indruk maakte van scheldwoorden, of onheilspellende waarschuwingen.