wat in de gegeven omstandigheden voor ons nog van het meeste belang was, waren de vijf of zes gebakken steenen, die in een hoek lagen gerangschikt en een haard vormden.
Vuur! Wij konden dus vuur maken. 't Is waar, dat een haard alleen niet voldoende is om vuur te maken en dat men ook hout moet hebben om te branden. In een huis als wij nu betrokken hadden, was hout echter niet moeilijk te vinden. Wij konden het van het dak en van de wanden nemen; wij behoefden namelijk slechts de takken uit te trekken, zoo we maar oppasten dat wij de muren niet ineen deden storten.
Dit was spoedig gedaan en weldra vlamde een flikkerend vuur lustig op onzen haard.
Een vuurtje! Een heerlijk vuurtje!
Wel-is-waar maakte het veel rook, en daar er geen schoorsteen was, verspreidde deze zich door de hut; maar wat bekommerden wij ons daarover: wij hadden vuur en het was ons om de warmte te doen.
Terwijl ik op mijne beide handen steunende het vuur aanblies, hadden de honden zich om den haard geschaard en ernstig zaten ze nu daar op hun staart, met uitgestrekten hals, zóó dat zij op hun natte, verstijfde buik de vlammen lieten spelen.
Weldra verliet ook Joli-Coeur de vacht van zijn meester en heel voorzichtig zijn neus naar buiten stekende, keek hij eens om zich heen om te zien, waar hij zich bevond. Het onderzoek stelde hem gerust en hij sprong vlug op den grond, nam de beste plaats bij den haard in, en stak zijne kleine sidderende pootjes naar de vlammen uit.
Wij waren thans zeker, dat wij niet van koude zouden omkomen, maar hoe wij aan eten zouden komen, wisten wij niet.
In die gastvrije hut was er geen broodkas en stonden er geen pannen op het vuur. Gelukkig was mijn meester een man van ervaring, die steeds zijne voorzorgen nam. Voordat wij dien morgen op weg waren gegaan, had hij reeds voor levensbehoeften gezorgd: een half brood en een stuk kaas. Veel was het niet, maar het was waarlijk het oogenblik niet om veel te eischen en aanmerkingen te maken op hetgeen wij kregen; toen dan ook het halve brood te voorschijn kwam, voelden wij allen eene gewaarwording van innige tevredenheid.
Ongelukkig waren de stukken niet heel groot en voor mij was de teleurstelling nog sterker, want mijne verwachting, dat wij al het brood zouden krijgen, werd niet verwezenlijkt; mijn meester gaf ons niet meer dan de helft.
— Ik ken hier den weg niet, zeide hij in antwoord op den vragenden blik, waarmede ik hem aanzag, en ik weet niet of wij vóór Troyes nog wel eene herberg zullen voorbijkomen. Bovendien