Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/123

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ben ik ook in dit bosch niet bekend. Alleen weet ik, dat er zeer veel bosschen in dit land zijn en dat het eene zich aan het andere aansluit. Misschien zijn wij vele mijlen van elke woning verwijderd, en 't is ook mogelijk, dat wij langen tijd in deze hut opgesloten blijven. Het eten moeten wij dus bewaren voor ons middagmaal.

Ik voor mij begreep den toestand heel goed, nu Vitalis mij dien uitlegde, maar toen de honden het brood in den zak zagen wegbergen, terwijl hun honger nog verre van gestild was, staken zij de pooten naar hun meester uit, krabden zijn knieën en vertoonden eene geheele pantomime om hem te beduiden, dat hij den zak moest openmaken, waarop zij onafgebroken de oogen gevestigd hielden.

Maar hun smeeken en liefkoozen was tevergeefs: de zak bleef gesloten.

Hoe schraal intusschen ook het, maal geweest was, het had ons weer kracht gegeven; wij waren beschut tegen het weer; dank zij het vuur, doortintelde ons eene aangename warmte; wij konden wachten tot het ophield met sneeuwen.

In die hut te blijven vond ik volstrekt niet naar; vooral niet omdat ik niet zoolang dacht te blijven als Vitalis mij had voorgespiegeld om zijne zuinigheid te rechtvaardigen.

Intusschen uit niets was af te leiden, dat het spoedig zou ophouden te sneeuwen.

Door de opening van de hut zagen wij de vlokken dicht en snel naar beneden vallen. Daar het niet meer waaide, vielen zij bijna loodrecht naar beneden en de eene volgde de andere, zonder ophouden.

Men zag den hemel niet en het licht viel niet van boven, maar steeg van beneden op: van de schitterend witte vlakte, die den grond bedekte.

De honden hadden zich geschikt in dit gedwongen oponthoud. Alle drie lagen zij voor het vuur uitgestrekt; de een in elkander saamgevouwen, de ander op zijne zijde; Capi met zijn neus in de asch. Alle drie sliepen.

Ik kwam op de gedachte om te doen als zij; ik was al vroeg opgestaan en ik vond het veel pleizieriger in het land derdroomen rond te zwerven, dan naar de sneeuw te kijken.

Ik weet niet hoe lang ik sliep; toen ik wakker werd had het opgehouden met sneeuwen; ik zag naar buiten; de sneeuw lag nog veel hooger voor onze hut; als wij ons op weg begaven, zou ik er zeker tot over de knieën zijn ingezonken.

Hoe laat zou het wel wezen? Ik kon het niet aan Vitalis vragen, want in den laatsten tijd hadden wij maar weinig verdiend, zoodat hetgeen hij in de gevangenis en door zijn proces verloren had, niet was aangevuld. Daarom had hij te Dijon, teneinde een