Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/124

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

schapevacht en eenige andere voorwerpen voor zichzelven en mij te kunnen aanschaffen, zijn horloge moeten verkoopen, het groote zilveren horloge, waarop Capi nog gezien had hoe laat het was toen zijn meester mij bij zich in dienst nam.

Ik moest dus aan den dag zien welk uur het was, daar wij ons horloge niet meer bezaten.

Maar niets daarbuiten kon mij eenig antwoord geven. Op den grond lag eene onafzienbare witte laag sneeuw; daarboven hing een donkere mist; de lucht was effen grijs en hier en daar vertoonde zich slechts eene flauwe gele streep.

Uit niets van dit alles kon ik opmaken hoe laat het was.

Mijne ooren vertelden mij al even weinig als mijne oogen, want alom heerschte eene doodsche stilte, die door geen vogel werd gestoord, noch door het klappen van een zweep of het rollen van een wagen; geen nacht was ooit zoo stil geweest als deze dag.

Bovendien was alles om ons henen roerloos stil. De sneeuw scheen alle beweging te hebben gedood, alles te hebben versteend. Slechts van tijd tot tijd zag men na een bijna onhoorbaar kraken de tak van een denneboom zich bewegen; onder de vracht die hij torste, was hij langzamerhand tot den grond doorgebogen, en als hij al te schuin hing, was de sneeuw eraf gevallen, en de tak had plotseling zich weder verheven. Zijn donkergroen loof vorinde dan een sterk contrast met het witte sneeuwkleed, dat de andere boomen van den top tot den voet omhulde, zoodat men op een afstand meende een zwarte opening te zien in de witte lijkwade.

Terwijl ik tegen den post der deur geleund stond, opgetogen over dit schouwspel, hoorde ik mijn meester mij roepen.

— Hebt gij lust om weer op weg te gaan?

— Ik weet het niet, het is mij alles onverschillig; ik zal alles doen wat u verlangt.

— Welnu, dan komt het mij voor, dat we maar hier moesten blijven; wij zijn hier tenminste beschut en wij hebben vuur.

Ik voegde er in mijn gedachten bij,dat wij niets te eten hadden, maar ik hield die opmerking voor me.

— Ik denk dat het spoedig weer zal gaan sneeuwen, ging Vitalis voort. Wij moeten ons niet op weg begeven, zonder dat wij weten op welken afstand we zijn van bewoonde huizen; de nacht zou niet heel aangenaam wezen temidden van die sneeuw; 't is beter dat wij hem hier doorbrengen; hier hebben wij tenminste droge voeten.

Als ik de vraag, hoe en wat wij eten zouden er buiten liet, had dit besluit niets onaangenaams voor me, maar al gingen wij dadelijk weder op weg, dan was het nog volstrekt zoo zeker niet, dat wij vóór den avond eene berberg zouden bereiken, en daar