Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/125

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ons maal zouden kunnen vinden; wel wachtte ons daarentegen op de wegen eene dikke laag sneeuw, die nog niet was platgetreden, en waardoor wij slechts met moeite zouden voortkomen.

Men moest dus maar niet aan eten denken; dat was alles wat ons overschoot.

Wat ik verwacht had gebeurde; voor ons middagmaal kregen wij niets anders dan het overschot van de mik, dat Vitalis in zessen verdeelde.

Veel was dit niet en spoedig was het op, niettegenstaande wij de stukjes zoo klein mogelijk maakten, om ze langer te doen duren. Na afloop van ons kort en zeer sober maal, dacht ik dat de honden de vertooning van dien morgen zouden herhalen, want het was duidelijk, dat zij nog geduchten honger moesten hebben. Niets ervan had evenwel plaats, en ik zag alweder welke verstandige dieren zij waren.

Toen Vitalis het mes in zijn broekzak had gestoken, wat te kennen gaf, dat ons middagmaal was afgeloopen, stond Capi op en na een teeken te hebben gegeven aan zijne twee makkers, besnuffelde hij den zak, waarin gewoonlijk onze voorraad geborgen was. Tevens legde hij even zijn poot op den zak om dien te betasten. Na dit tweeledig onderzoek was hij overtuigd, dat er niets te eten was. Toen zette hij zich weder op zijne oude plaats bij het vuur en na een nieuwen wenk met den kop aan Dolce en Zerbino, ging hij languit liggen, en slaakte een zucht van berusting.

Er is niets meer; dus behoeven we ook niet te vragen. Dit gaf hij zoo duidelijk te kennen, alsof hij het met zoovele woorden zeide. Zijne makkers begrepen die taal en legden zich toen ook bij het vuur neer, eveneens een zucht slakende, maar die van hen was niet zoo onderworpen, want aan grooten eetlust paarde Zerbino eene bijzondere neiging voor hetgeen lekker was, en het gemis was voor hem dus erger dan voor de anderen.

Het sneeuwde opnieuw geruimen tijd en de sneeuw viel weder hardnekkig in dichte vlokken neder. Van uur tot uur zag men de laag, die zij op den grond vormde, al hooger en hooger tegen de boomstammen rijzen, waarvan alleen de takken nog uitstaken boven de witte zee, die ze weldra zou verzwelgen.

Maar na het eten kon men al minder en minder duidelijk zien wat er om de hut plaats had, want deze sombere dag was nog vroeger dan andere winterdagen geëindigd.

De duisternis bracht evenwel geen verandering teweeg: de sneeuw bleef onafgebroken uit den donkeren hemel op de witte aarde vallen.

Daar wij hier moesten overnachten, was het beste zoo spoedig mogelijk maar in te slapen. Ik volgde dus het voorbeeld van de honden, wikkelde mij in mijn schapevacht, die ik voor het vuur