had gehangen en die nu nagenoeg droog was, en strekte mij bij het vuur uit, met het hoofd op een platten steen, die mij tot oorkussen diende.
— Slaap maar, zeide Vitalis, ik zal u wakker maken als ik op mijn beurt ook slapen wil, want ofschoon wij in deze hut niets te vreezen hebben van dieren of menschen, moeten wij toch een van beiden wakker blijven om het vuur te onderhouden. Wij moeten onze voorzorgsmaatregelen nemen tegen de kou, die vrij vinnig zal wezen, als de sneeuw opgehouden heeft.
Ik liet mij dit niet tweemaal zeggen en sliep in.
Toen mijn meester mij wakker maakte, moest het al in 't holle van den nacht wezen; tenminste dit verbeeldde ik mij. De sneeuw had opgehouden; ons vuur brandde nog altijd.
— Thans is het uw beurt, zeide Vitalis: gij moet maar van tijd tot tijd wat hout op den haard werpen; gij ziet dat ik nog genoeg voor u heb klaargelegd.
Ik zag inderdaad een hoogen stapel takkenbossen, die binnen het bereik van mijn arm lag. Mijn meester, die een veel ligteren slaap over zich had dan ik, had willen voorkomen, dat ik hem wakker maakte, zoo dikwijls ik een takkenbos van den muur zou halen; daarom had hij dezen stapel gemaakt, waarvan ik bijna zonder gedruis te maken het hout kon afnemen.
Dit was een verstandige voorzorg van Vitalis, maar ze had, helaas! de gevolgen niet, die hij ervan verwachtte.
Toen hij zag, dat ik wakker was en gereed om mijn post waar te nemen, was hij op zijn beurt bij het vuur gaan liggen met Joli-Coeur tegen zich aan. Hij had zich in zijn deken gewikkeld en weldra verkondigde zijn zware regelmatige ademhaling, dat hij was ingeslapen.
Op mijn toonen sloop ik toen naar de deur om eens te zien hoe het buiten was gesteld.
De sneeuw had alles bedolven: over de planten, de struiken, de boomen, zoo ver mijn oog kon ontwaren, lag er een ongelijke, maar overal even witte sneeuwlaag; de hemel was bezaaid met schitterende sterren, maar hoe helder haar glans ook was, het landschap werd eigenlijk verlicht door de sneeuw. Het was koud geworden en daar buiten moest het vriezen, want de lucht, die in onze hut doordrong, was ijskoud. In de akelige stilte van den nacht hoorde men soms een zacht gekraak, hetwelk aanduidde, dat de oppervlakte van de sneeuw bevroor.
Het was inderdaad een geluk geweest, dat wij deze hut hadden ontdekt, want wat zou er van ons geworden zijn in 't midden van 't bosch onder die sneeuw en met die koude?
Hoe weinig gedruis ik met mijn opstaan ook gemaakt had, waren de honden wakker geworden, en Zerbino was eveneens op