Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/130

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

.

Hij was dus niet buiten.

Wij keerden weer naar de loods terug, om te zien of hij zich niet onder een takkenbos had verscholen.

Langen tijd bleven wij zoeken; wel tienmaal kwamen wij op dezelfde plek en in denzelfden hoek. Ik ging op de schouders van Vitalis staan om tusschen de takken te zoeken, die het dak vormden; maar alles tevergeefs.

Van tijd tot tijd riepen wij hem weder, maar er kwam geen antwoord.

Vitalis was radeloos, terwijl ik zelf innig bedroefd was.

Arme Joli-Coeur!

Toen ik aan mijn meester vroeg of hij dacht, dat de wolven ook den aap hadden medegenomen, antwoordde hij:

— Neen, de wolven hebben niet in de hut durven komen; ik geloof wel, dat zij Zerbino en Dolce hebben aangevallen, toen deze buiten waren, maar hierbinnen zijn zij niet geweest. Het is waarschijnlijk, dat Joli-Coeur zich hier of daar heeft verborgen, terwijl wij buiten waren; en dit doet mij juist zoo ongerust over hem zijn; want met zulk weer moet hij kou vatten en dat is doodelijk voor hem.

— Laten wij dan nog maar eens zoeken.

En opnieuw hervatten wij onze nasporingen, maar wij waren niet gelukkiger dan de eerste maal.

— Wij moeten den dag afwachten, zeide Vitalis.

— Wanneer zal die aanbreken?

— Over twee of drie uren, denk ik.

En hij zette zich bij het vuur, met het hoofd op de handen leunend.

Ik durfde hem niet storen. Onbeweeglijk bleef ik bij hem zitten en verroerde mij alleen om nu en dan een tak op het vuur te werpen. Van tijd tot tijd stond hij op en ging naar de deur; dan keek hij naar den hemel en boog zich naar buiten om te luisteren; daarop nam hij zijn plaats weder in.

Ik geloof dat ik liever gewild had, dat hij mij beknorde, dan hem zoo somber en neerslachtig te zien.

De drie uren, waarvan hij gesproken had, gingen wanhopend langzaam voorbij. Het scheen, dat de nacht nooit zou eindigen.

Eindelijk echter begonnen de sterren te verbleeken en de lucht werd wit: dat was de dageraad; weldra zou het licht worden.

Maar met het aanbreken van den dag werd de koude scherper; de lucht, die door de deur binnendrong, was ijzig koud.

Als wij Joli-Coeur terugvonden, zou hij dan nog leven?

Maar welke redelijke grond bestond er voor de hoop, dat wij hem terug zouden vinden?

Wie wist of met het doorbreken van den dag ook niet de sneeuwbuien zouden terugkeeren?