Ik geloof, zonder ons te vleien, te mogen verklaren, dat wij ons programma zijn nagekomen; evenwel daar de kaarsen nog branden zal ik, met goedvinden van het geëerde publiek, nog een paar liederen voordragen. Capi zal dan nog eene inzameling houden en de heeren en dames, welke den toegang tot hun zak nog niet konden vinden bij zijn eersten omgang, zullen misschien ditmaal gelukkiger en handiger zijn. Ik verzoek hun zich alvast gereed te maken.
Ofschoon Vitalis mijn onderwijzer in het zingen was geweest, had ik hem zelf eigenlijk nog nooit hooren zingen en althans niet zooals dien avond.
Hij koos twee liederen, die iedereen kent, maar die voor mij toen nog vreemd waren. Ik was toen nog te jong om te kunnen beslissen of hij mooi of leelijk zong, met of zonder kunst, maar dit mag ik zeggen, dat de gewaarwording, welke zijne manier van zingen in mij opwekte, mij in tranen deed uitbarsten, terwijl ik op een uithoek van het tooneel aandachtig naar hem luisterde.
Door den nevel heen, die mijne oogen verduisterde, zag ik eene jonge dame op den voorsten rang met geestdrift toejuichen. Ik had haar vroeger al opgemerkt, want zij was geen boerin, zooals de andere vrouwen onder het publiek. Zij was eene wezenlijke dame, schoon en, naar ik opmaakte uit haar bont en mantel, de rijkste van het dorp. Naast haar zat een knaapje, dat ook bijzonder toejuichte als Capi zijn kunstjes deed. Het was zeker haar kind, want hij had eene groote gelijkenis met haar.
Na het eerste lied had Capi weder zijne inzameling gehouden en met verbazing zag ik, dat de rijke dame niets op het bakje legde.
Toen mijn meester zijn lied geëindigd had, wenkte zij mij met de hand. Ik ging naar haar toe.
— Ik wenschte uw meester te spreken, zeide zij.
Het verwonderde mij wel eenigszins dat die aanzienlijke dame mijn meester wilde spreken. Zij had, dacht mij, beter gedaan met haar gift op het bakje te leggen; maar ik deelde aan Vitalis haar wensch mede, terwijl Capi onderwijl bij ons kwam.
De tweede inzameling had nog minder opgebracht dan de eerste.
— Wat wil die dame van mij? vroeg Vitalis.
— Zij wil u spreken.
— Ik heb haar niets te zeggen.
— Zij heeft niets gegeven aan Capi; misschien wil ze het hem nu geven.
— Dan moet Capi naar haar toe gaan en niet ik.
Nochtans ging hij, maar nam Capi met zich.
Ik volgde hem.
In dien tusschentijd was een bediende met een lantaren en