Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/143

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

een reisdeken gekomen en had achter de dame en den knaap postgevat.

Vitalis was haar genaderd en had gegroet, maar zeer koel.

— Ik vraag u verschooning dat ik u lastig val, maar ik wilde u mijn compliment maken.

Vitalis boog zonder te antwoorden.

— Ik beoefen de muziek, ging zij voort, en dit zal wel voldoende zijn om u te doen beseffen, dat ik gevoelig ben voor zulk een groot talent als het uwe.

— Een groot talent! En dat zou Vitalis bezitten, een straatzanger, een man met gedresseerde honden! Ik was buiten mij zelven van verbazing.

— Een oud alledaagsch man als ik heeft geen talent, zeide Vitalis.

— Geloof niet dat onbescheiden nieuwsgierigheid mij beweegt, sprak de dame.

— Ik zou anders zeer bereid zijn die nieuwsgierigheid te bevredigen. Gij waart verwonderd een man met gedresseerde honden te hooren zingen, of althans te doen of hij zong?

— Verrukt zelfs.

— 't Is evenwel doodeenvoudig; ik ben niet altijd geweest wat ik nu ben. Voorheen, in mijne jeugd — dat is dus lang geleden — ben ik..., ja ik ben de bediende van een groot zanger geweest, en uit zucht tot nabootsing heb ik, als een papegaai, de stukken nagezongen, die mijn meester instudeerde. Dat is de heele zaak.

De dame antwoordde niet, maar zij vestigde langen tijd haar blik op Vitalis, die in verlegen houding voor haar bleef staan.

— Tot weerziens, mijnheer, sprak zij, den klemtoon op dit laatste woord leggende, dat zij op een bijzonderen toon uitsprak.

— Tot weerziens, en ontvang nogmaals mijn dank voor het genot, dat gij mij geschonken hebt.

Daarop boog zij zich tot Capi en legde een goudstuk in zijn bakje.

Ik dacht dat Vitalis deze dame naar haar plaats zou terugbrengen, maar hij deed het niet, en toen zij zich verwijderd had, hoorde ik hem eenige Italiaansche vloeken mompelen.

— Maar zij heeft aan Capi een goudstuk gegeven, zeide ik.

Ik dacht dat ik een klap zou krijgen; hij trok echter zijn opgeheven hand terug.

— Een goudstuk, zeide hij, alsof hij uit een droom ontwaakte, o ja, het is waar; arme Joli-Coeur, ik vergat hem, kom laten we naar hem toegaan.

Onze zaken waren spoedig geborgen en wij keerden naar de herberg terug.