Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/144

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Ik ging het eerst de trap op en trad de kamer snel binnen; het vuur was niet uitgedoofd, maar toch zag men geen enkele vlam meer.

Ik stak haastig een kaars aan, en zocht naar Joli-Coeur, daar ik hem niet hoorde.

Hij lag op zijn mat uitgestrekt in zijn generaalsuniform en scheen te slapen.

Ik bukte mij over hem heen en vatte hem bij een poot, om hem wakker te maken.

Zijn poot was koud.

Op dit oogenblik trad Vitalis binnen.

Ik wendde mij tot hem.

— Joli-Coeur is koud.

Vitalis knielde naast mij neder.

— Helaas, sprak hij, hij is dood! Dat moest gebeuren. Ziet gij Rémi, het was verkeerd van mij, dat ik u niet bij mevrouw Milligan liet. Ik ben ervoor gestraft. Zerbino. Dolce, en thans Joli-Coeur. En daarmede is het nog niet uit.




XVI.
AANKOMST TE PARIJS.


Wij waren nog een geducht eind van Parijs verwijderd.

Aanhoudend moesten wij wegen volgen, waarop de sneeuw hoog lag opgestapeld, en van den morgen tot den laten avond woei een scherpe wind ons in het gelaat.

Hoe akelig waren die lange wandelingen! Vitalis liep altijd voorop, terwijl ik hem volgde, en Capi weder vlak achter mij.

Zoo liepen wij in een rij, zonder dat we uren lang een woord met elkander wisselden, met een gelaat blauw van koude, natte voeten en leege maag; en de menschen, die wij tegenkwamen, stonden stil om ons voorbij te zien trekken.

Blijkbaar maakten wij een zonderlingen indruk op hen en zij vroegen zichzelf af: waarheen brengt deze grijsaard dien knaap en dien hond?

Die stilte was mij ondraaglijk; ik had groote behoefte om te spreken en mijn hart eens lucht te geven, maar Vitalis gaf mij altijd een kort antwoord op mijn vragen en keerde zich nooit naar mij om. Gelukkig was Capi hartelijker, en dikwijls voelde ik, onder het loopen, zijn natte, warme tong op mijn hand; Capi likte deze alsof hij daarmede zeggen wilde: