Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/147

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zagen opstijgen, maar waarvan wij slechts eenige hooge gebouwen konden onderscheiden.

Ik deed mijn oogen wijd open om tusschen dat tal van daken, klokken en torens, die zich in den nevel en den rook verloren, op mijn verhaal te komen, toen Vitalis plotseling langzamer ging loopen en naast mij kwam zitten.

— Uw leven is thans veranderd, zeide hij tot mij, alsof hij een gesprek voortzette, binnen vier uur zijn wij te Parijs.

— O, is dat Parijs, dat daar voor ons ligt?

— Ja.

Op het oogenblik zelf, toen Vitalis mij zeide, dat het Parijs was, brak een lichtstraal door den grijzen hemel, die plotseling, als een bliksemstraal, een gouden gloed over alles verspreidde.

Ik had mij dus niet vergist; ik zou daar gouden boomen vinden.

Vitalis vervolgde:

— In Parijs moeten wij van elkander scheiden.

Plotseling echter viel de duisternis in en ik zag de gouden boomen niet meer.

Ik zag Vitalis aan; ook hij hield den blik op mij gericht en de bleekheid van mijn gelaat, het trillen mijner lippen zeiden hem, wat er in mij omging.

— Gij zijt bang, en het doet u ook verdriet, ik geloof het best.

— Moeten wij scheiden! riep ik, toen het eerste oogenblik van schrik voorbij was.

— Arme jongen!

Deze woorden en vooral de toon, waarop zij werden uitgesproken, deden mij de tranen in de oogen komen; het was zoo lang geleden, sedert ik een hartelijk woord van hem gekregen had.

— O, gij zijt zoo goed voor mij! riep ik uit. — Gij zijt een goede jongen, een dapper kereltje. Weet je, er zijn oogenblikken in het leven, waarop men geneigd is dit te erkennen en zich te laten overreden. Wanneer het ons in de wereld goedgaat, dan volgt men zijn weg, zonder er ooit aan te denken, wie ons vergezelt; maar wanneer alles tegenloopt, als men beseft, dat men een verkeerd pad is ingeslagen, en vooral als men oud wordt, dat is te zeggen, wanneer men niets meer van de toekomst verwacht, dan heeft men behoefte om op iemand te steunen en men gevoelt zich gelukkig, wanneer deze dan bij ons is. Dat ik op u steun, dat verbaast u waarschijnlijk, nietwaar? En toch is het zoo. En gij hebt mij reeds veel troost geschonken, toen ik u tranen zag storten, terwijl gij naar mij luisterdet. Want ook mij. Rémi, doet het verdriet.