Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/148

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Eerst later, toen ik iemand liefhad, gevoelde ik de waarheid van zijn woorden.

— Het is ongelukkig, ging Vitalis voort, dat men juist dan van elkander scheiden moet, wanneer men zich nader tot elkander voelt aangetrokken.

— Maar, vroeg ik verlegen, gij zult mij in Parijs toch niet aan mijn lot overlaten?

— Neen, zeker niet, ik zal u niet alleen laten. Wat zoudt gij, geheel verlaten, in Parijs doen? En ik kan u ook gerust zeggen, dat ik het recht daartoe niet heb.

— Toen ik u niet aan de zorg van die goede dame wilde toevertrouwen, die u als haar zoon wenschte op te voeden, heb ik de belofte afgelegd, u eene opvoeding te geven, zoo goed als eenigszins in mijn vermogen was. Ongelukkig loopt het mij niet mede. Op het oogenblik kan ik niets voor u doen en daarom ben ik van plan mij van u te scheiden, wel niet voor altijd, maar toch voor eenige maanden, opdat wij het laatste gedeelte van dit slechte jaargetijde elk op ons zelf kunnen leven. Binnen weinige uren zijn wij te Parijs. Wat zouden wij daar moeten beginnen met een tooneelgezelschap, dat slechts uit Capi bestaat?

Toen de hond zijn naam hoorde noemen, ging hij voor ons staan en toen hij zijn poot bij het oor gebracht had, om ons zijn militairen groet te brengen, legde hij dien op zijn hart, alsof hij daarmede wilde zeggen, dat wij op zijn genegenheid konden rekenen.

In den toestand, waarin wij ons bevonden, stemde ons dit niet minder treurig.

Vitalis zweeg een poos om hem den kop te streelen.

— Gij zijt ook een goede, dappere hond; maar helaas, men leeft in deze wereld niet alleen van goedheid; wij moeten iets overhebben voor het geluk van hen, die ons omringen en ook nog iets anders, hetgeen ons juist ontbreekt.

Wat zullen wij met Capi alleen aanvangen? Gij begrijpt het, nietwaar, dat wij thans geen voorstellingen kunnen geven?

— Dat is waar.


— De jongens zouden ons bespotten en ons met vuil naar het hoofd gooien en wij zouden geen halven franc ophalen; denkt gij, dat wij alle drie van een halven franc daags zouden kunnen leven, en daarbij de kans nog hebben, wanneer het koud is, regent of sneeuwt, niets te verdienen?

— Maar mijn harp?

— Als ik twee kinderen had, zooals gij, dan zou het misschien nog gaan, maar een grijsaard en een knaap, neen, dat gaat samen. Ik ben nog niet oud genoeg. Als ik nog wat gebrekkiger was, of misschien blind.... Maar ongelukkig ben ik wat ik