ben, dat is te zeggen, dat ik niet in een toestand ben om medelijden op te wekken, en om in Parijs de belangstelling gaande te maken van menschen, die allen evenveel haast hebben, moet men al in een zeer beklagenswaardigen toestand wezen. Men moet zich dan ook bovendien niet schamen om een beroep te doen op de publieke liefdadigheid, en daartoe zou ik nooit kunnen besluiten. Wij moeten dus wat anders bedenken. Ik zal u zeggen wat ik gedacht had en waartoe ik dan ook besloten ben. Tot aan het einde van den winter zal ik u bij een padrone in den kost doen, die u met andere kinderen op de harp zal leeren spelen.
Aan zulk een plan had ik niet gedacht.
Vitalis liet mij echter den tijd niet om hem in de rede te vallen.
Ik zal, vervolgde hij, lesgeven op de harp, op de piva of op de viool aan Italiaansche kinderen, die op straat muziek maken. Ik ben in Parijs bekend, waar ik verscheidene malen gewoond heb, en van waar ik kwam, toen ik uw dorp bezocht; ik behoef slechts om een les te vragen, dan krijg ik er meer dan ik er geven kan. Wij kunnen dan elk op ons eigen leven. Terwijl ik lesgeef, kan ik tevens een paar andere honden dresseeren, die Zerbino en Dolce zullen moeten vervangen. Ik zal hun opvoeding voltooien en wanneer het dan weder voorjaar is, dan kunnen wij samen weder op weg gaan. Rémi, om niet weer van elkander te scheiden, want de fortuin begunstigt steeds hen, die moedig weten te strijden. Ik verg thans slechts moed en onderwerping van u. Later zal alles beter gaan; dit is een moeilijk en voorbijgaand oogenblik. In de lente neemt ons vrij leven weder een aanvang. Ik zal u dan naar Duitschland en Engeland brengen. Gij zijt dan ouder en verstandiger geworden. Ik zal u alles leeren en een man van u maken. Dit heb ik mevrouw Milligan beloofd. En die belofte zal ik houden. Juist met het oog op die reizen, ben ik u Engelsch gaan leeren; gij kent nu Fransch en Italiaansch en dat is al veel voor een kind op uw leeftijd; gij zijt nu ook veel sterker. Gij zult zien. Rémi, dat alles nog niet verloren is.
Dit was misschien nog het beste, waartoe wij in onzen toestand besluiten konden. En wanneer ik er nu nog aan denk, dan moet ik erkennen, dat mijn meester al zijn best gedaan heeft om ons uit dien hachelijken toestand te bevrijden. Maar niet dezelfde gedachten bezielen ons wanneer wij in onze herinneringen de een of andere gebeurtenis herdenken, als op het oogenblik, toen deze plaats greep.
Van hetgeen hij mij toen zeide, stonden twee dingen mij slechts duidelijk voor oogen:
Onze scheiding.
En de padrone.