Dat was een lekkere geur, die ons zooveel te aangenamer streelde, daar wij hem sinds lang niet geroken hadden. En 't was ook eene liefelijke muziek, die voortgebracht werd door het sissen en pruttelen van de boter. Maar hoe ik ook geheel-en-al gehoor was voor dit aangename geluid, meende ik toch gerucht te vernemen op het plein voor het huis. Wie zou zoo laat in den avond ons komen storen? Zeker eene buurvrouw die wat vuur kwam vragen.
Maar ik dacht er niet langer om, want vrouw Barberin had de lepel in den pot gedompeld en liet een breeden stroom van het witte beslag in de pan vloeien, en dit hield mij te veel bezig om op iets anders te letten.
Er werd met een stok op de deur gebonsd en terstond daarop werd zij met een ruk geopend.
— Wie is daar? vroeg vrouw Barberin zonder zich om te keeren.
Er was iemand binnengekomen en bij de vlammen, die hem ten volle verlichtten, zag ik een man met een witte kiel en een dikken stok in de hand.
— Zoo, vier je weer feest. Nu, ga je gang maar, sprak hij op ruwen toon.
— Heer in den hemel, zijt gij daar! riep vrouw Barberin, terwijl zij plotseling haar pot naast zich zette. Jérôme!
Toen nam zij mij bij den arm en duwde mij naar den man, die op den drempel was blijven staan.
— Dat is uw vader.
II.
EEN PLEEGVADER.
Ik was dichter bij gekomen om hem de hand te geven, maar hij hield mij met de punt van zijn stok terug.
— Wat is dat voor een kereltje?
— Dat is Remi.
— Ge hadt me gezegd....
— Welnu ja, maar dat was niet waar, omdat....
—Niet waar! niet waar!
Hij kwam eenige stappen nader en hief zijn stok op Onwillekeurig ging ik achteruit.
Wat had ik gedaan? Wat had ik misdreven? Waarom ontving hij mij zoo, terwijl ik toch naar hem toe kwam om hem een hand te geven?