Op onze tochten door dorpen en steden hadden wij verscheidene van die padrones ontmoet, die de kinderen, welke zij in dien tusschentijd hadden gehuurd, met stokslagen gedrild hadden.
Zij geleken volstrekt niet op Vitalis; zij schenen mij wreed, onrechtvaardig en veeleischend toe, en waren meestal dronken en vloekten aanhoudend.
Het was zeer wel mogelijk, dat ik in handen van zulk een meester zou vallen.
En al voerde het toeval mij bij een die goedhartiger was, dan zou het toch een groote verandering voor mij wezen.
Na mijn pleegmoeder, Vitalis.
Na Vitalis, alweer een ander.
Zou het altijd zoo met mij gaan?
Zou ik dan nooit, mijn geheele leven lang, aan iemand mij mogen hechten?
Langzamerhand had ik mij aan Vitalis gehecht alsot hij mijn vader was.
Ik zou dus nooit een vader hebben?
Nooit een bloedverwant?
Zou ik dan altijd alleen op de wereld wezen?
Altijd op die groote wereld moeten rondzwerven, zonder mij ooit ergens te kunnen vestigen?
Op al die vragen had ik gaarne eenig antwoord gehad en zij waren mij bijna van de lippen gevloeid, zoo ik ze niet met moeite teruggehouden had.
Mijn meester had van mij moed en onderwerping gevraagd; ik wilde hem gehoorzamen en zijn verdriet niet vermeerderen.
Bovendien zat hij al niet meer naast mij en alsof hij bang was al deze vragen te moeten aanhooren, die hij eveneens voorzien had, was hij eenige schreden vooruitgeloopen.
Ik volgde hem en spoedig hadden wij een rivier bereikt waarover een brug lag, die hier vreeselijk slikkerig was; de sneeuw was geheel zwart en men zakte tot aan de enkels in den modder.
Aan het einde van die brug bevond zich een dorp, met enge straten; daarna was men weder geheel buiten, maar men zag hier geen arme woningen in vervallen toestand.
Op den weg volgden en kruisten elkander tal van rijtuigen. Ik ging naast Vitalis loopen en Capi kwam vlak achter ons.
Spoedig was men niet meer in de vrije natuur, maar kwamen wij in een straat, waarvan het einde niet te zien was; aan beide zijden verhieven zich huizen, maar het waren vuile, arme en lang zulke mooie huizen niet als te Bordeaux, te Toulouse en te Lyon.