Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/151

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

De sneeuw lag hier en daar opgehoopt en op die zwarte stapels had men asch, verrotte groente en allerlei vuil geworpen; een onaangename lucht kwam ons tegemoet; de kinderen, die voor de deur speelden, zagen er bleek en ongezond uit; telkens reden zware rijtuigen ons voorbij, die zij met de grootste behendigheid wisten te ontwijken zonder er ooit acht op te slaan.

— Waar zijn wij nu? vroeg ik aan Vitalis.

— Te Parijs, mijn jongen.

— Te Parijs!....

Was het mogelijk! Was dat Parijs?

Waar stonden mijn marmeren paleizen?

Waar liepen de menschen in fluweel en satijn?

Hoe leelijk en akelig was de werkelijkheid!

Dat was Parijs waarnaar ik zoo vurig verlangd had!

Daar zou ik dus den winter doorbrengen, gescheiden van Vitalis..., en van Capi!



XVII.
EEN PADRONE UIT DE STRAAT LOURCINE.


Hoewel ik alles wat mij omringde even leelijk vond, moest ik toch mijn oogen wijd openen om alles aandachtig op te nemen en vergat ik bijna in welk een ernstigen toestand ik mij bevond.

Hoe verder wij in Parijs doordrongen, hoe minder het aan mijn kinderlijke droomen en mijne verwachtingen beantwoordde; de bevroren grachten waassemden een vuilen geur uit; de slijk werd hoe langer hoe zwarter en wanneer zij niet meer uit ijs of sneeuw bestond, dan spatte zij om de wielen der rijtuigen en bemorste de ruiten der onaanzienlijke winkels.

Parijs kon ongetwijfeld niet bij Bordeaux vergeleken worden.

Toen wij geruimen tijd een breede straat, die minder onaanzienlijk was dan die welke wij reeds waren doorgegaan, hadden gevolgd en waarin de winkels hoe langer hoe beter werden naarmate wij verder kwamen, sloeg Vitalis rechts om en een oogenblik later bevonden we ons in een zeer armoedige wijk der stad met hooge huizen, die door hun zwarte gevels nog hooger schenen; het water liep uit de ontdooide goten middendoor de straat en zonder zich om dat vuile water te bekommeren, schreed een dichte menigte over de modderachtige straat voort. Nooit had ik