zulke bleeke gezichten gezien als van deze menschen; evenzoo trof mij de onbeschaamdheid der kinderen; in de vele kroegen zaten mannen en vrouwen of stonden aan de toonbank te drinken, terwijl zij om het hardst schreeuwden.
Op den hoek van een straat las ik den naam Lourcine.
Vitalis, die den weg scheen te kennen, ontweek bedachtzaam de voorbijgangers, die hem den doortocht belemmerden en ik volgde hem op den voet.
— Pas op, dat gij mij niet verliest, zeide hij. Maar deze aanbeveling was noodeloos; ik liep vlak achter hem en voor alle zekerheid hield ik een pand van zijn jas vast.
Nadat wij een groote plaats en een gang waren doorgegaan, bereikten wij een soort van hut, die zeer donker en vermolmd er uitzag, en waarin de zon zeker nooit hare stralen had geworpen. Dat was nog leelijker en verschrikkelijker dan alles, wat ik tot nogtoe gezien had.
— Is Garofoli tehuis? vroeg Vitalis aan een man die allerlei lompen tegen zijn muur ophing en zichzelf met een lantaarn bijlichtte.
— Ik weet het niet; ga maar naar boven: gij kent den weg; de bovenste trap, dan hebt ge de deur recht voor u.
— Garofoli is de padrone van wien ik u gesproken heb, zeide Vitalis, terwijl wij de trap bestegen, waarvan de treden met een laag slijk en aarde waren bedekt, alsof zij uit vochtige klei gehouwen waren; hier woont hij.
De straat noch het huis of de trap, waren geschikt om mij in een vroolijker stemming te brengen. Hoe zou de bewoner wel zijn?
Wij klommen tot de vierde verdieping; Vitalis duwde, zonder te kloppen, de deur open en wij bevonden ons in een ruim vertrek, op een soort van zolder. In het midden was een groote ruimte ledig gebleven, terwijl aan de kanten een dozijn ledękanten geschaard stonden De muren en de zoldering waren van een niet meer te onderscheiden kleur; ofschoon vroeger waarschijnlijk wit geweest, waren zij door rook, stof en onzindelijkheid zwart geworden en op verscheidene plaatsen zag men zelfs gaten; naast een kop in houtskool geteekend hingen eenige gebeeldhouwde bloemen en vogels.
— Garofoli, sprak Vitalis, terwijl hij binnentrad, zijt gij thuis? Ik kan niets zien, dus geef mij eenig antwoord; ik ben Vitalis.
Het scheen inderdaad of er zich niemand in de kamer bevond, zoo flauw was deze door een kleine hanglamp verlicht, maar op de vraag van mijn meester antwoordde een zachte en sleepende kinderstem:
— Signor Garofoli is uitgegaan; eerst over een paar uur komt hij terug.