Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/153

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Op hetzelfde oogenblik stond hij, die ons antwoord gegeven had, voor ons: het was een kind van omstreeks tien jaar oud; het kwam met een sleependen tred naar ons toe en ik was zoozeer door zijn zonderling uiterlijk getroffen, dat ik het thans nog vóór mij zie; het had eigenlijk geen lichaam en zijn groot hoofd, dat niet in de minste evenredigheid tot zijn voorkomen stond, scheen onmiddellijk op zijn beenen te rusten, evenals op die karikatuurplaten, die eenige jaren geleden zooveel opgang maakten. Op zijn gelaat lag een pijnlijke en zachte uitdrukking en uit zijn blik las men een groote gelatenheid, terwijl zijn geheele voorkomen iets wanhopends had. Zoo gevormd kon hij niet schoon wezen en toch gevoelde men zich tot hem aangetrokken, hetzij uit medelijden of wel door zijn vriendelijk, trouwhartig oog en den verstandigen trek, die er op zijn gelaat lag.

— Zijt gij zeker, dat hij binnen twee uren thuis zal zijn? vroeg Vitalis.

— O, heel zeker signor, dan is het etenstijd en hij alleen geeft ons het eten.

— Welnu, zoo hij soms vroeger terug mocht komen, zeg hem dan, dat Vitalis over twee uur bij hem terugkomt.

— Over twee uur, goed signor.

— Ik wilde mijn meester volgen, maar deze hield mij terug en zeide:

— Blijf gij hier, gij kunt hier uitrusten; ik kom terug.

Ik kon mijn angst niet verbergen.

— Ik verzeker u, dat ik terugkom, herhaalde hij.

Liever was ik, ondanks mijn groote vermoeidheid. Vitalis gevolgd, maar wanneer hij iets gebood, dan was ik gewoon hem te volgen en ik bleef dus staan.

Toen wij zijn zware stappen niet meer op de trap hoorden, vroeg het kind, dat met zijn oor tegen de deur aandachtig geluisterd had:

— Zijt gij uit het land? Hij vroeg mij dit in het italiaansch.

Gedurende mijn omgang met Vitalis had ik genoeg italiaansch geleerd om bijna alles in die taal te verstaan, maar zelf was ik ze niet voldoende machtig om ze gaarne te spreken. Neen, antwoordde ik in het fransch.

— O, zuchtte hij en zag mij met zijn groote oogen strak in het gelaat; dat is jammer, ik had gehoopt, dat gij ook uit het land waart.

— Uit welk land?

— Uit Lucca; gij zoudt mij misschien eenige tijding hebben medegebracht.

— Ik ben een Franschman.

— O, des te beter.