Als een heer en een dame ons iets gaven, dan zeide de dame altijd: „Geef het aan dien aardigen en niet aan dien leelijken jongen."
De leelijke was ik. Ik ging nooit meer met mijn makker mede want al is het naar stokslagen te krijgen als men tehuis komt, het is toch nog akeliger op straat een hard woord in tegenwoordigheid van iedereen te krijgen. Gij kent dat gevoel niet, daar men u nooit gezegd heeft, dat gij leelijk waart; maar ik.... Kortom, toen Garofoli zag, dat slaag tot niets leidde, bedacht hij een ander middel. „Voor elken stuiver, die er ontbreekt, krijgt gij 's middags een aardappel minder, zeide hij. Daar uw huid tegen slagen bestand schijnt te zijn, zal ik eens zien of uw maag misschien voor den honger gevoeliger is." Hebben bedreigingen ooit eenigen vat op u gehad?
— Dat hangt ervan af.
— Nu, op mij nooit; bovendien kon ik niet anders doen dan ik tot nogtoe gedaan had; en ik kon onmogelijk tot hen, die ik mijn hand reikte, zeggen: Als gij mij geen centen geeft, dan krijg ik vanavond geen aardappelen." Menschen die een aalmoes aan kinderen geven, laten zich nooit door zulke redenen overhalen.
— En door welke dan wel? Men geeft om iemand genoegen te doen.
— O, wat zijt ge nog jong; men geeft om zich zelf genoegen te doen, en niet voor het pleizier van anderen; men geeft gaarne iets aan een aardig kind; dat is nog de beste reden, ook wel als men een kind verloren heeft of men gaarne zoo'n kind zou willen hebben; men geeft wanneer men het zelf warm heeft en het kind van koude loopt te rillen. O, ja, ik weet het allemaal heel goed; ik heb al den tijd gehad om ze te leeren kennen. Het is koud vandaag, niet waar?
— Zeer koud.
— Welnu, ga voor een deur staan en strek uw hand eens uit naar een heer, die haastig voortloopt en een korte overjas draagt en vertel mij dan eens, wat hij u gegeven heeft. Strek daarentegen uw hand eens uit naar een heer, die langzaam loopt en in een jas met bont gewikkeld is, dan zult gij misschien een stuk zilvergeld van hem krijgen. Nadat ik ongeveer een maand deze manier gevolgd had, was ik er niet dikker op geworden; ik zag er bleek en ziekelijk uit en dikwijls hoorde ik in het voorbijgaan zeggen: Dat kind sterft van honger. Mijn lijden gafmij dus, wat ik door schoonheid niet had kunnen verkrijgen; het gaf aan mijn gelaat een uitdrukking die belangstelling scheen in te boezemen en het maakte mijn oogen grooter; de menschen uit de buurt kregen medelijden met mij, en al haalde ik niet altijd geld op, ik kreeg dikwijls brood of soep. Dat was een goede tijd!. Ik kreeg geen slaag, maar ook geen aardappelen, hoewel