Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/160

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Het uur, waarop de leerlingen van Garofoli gewend waren tehuis te komen, scheen aangebroken te zijn; na het eene kind met het stuk hout, kwam het tweede en na dit nog wel tien anderen. Elk kind hing, zoodra het binnenkwam, zijn instrument aan een spijker boven zijn bed; de een zijn viool, de ander een harp, een derde een fluit of de piva; zij, die geen muzikanten waren, maar slechts met dieren rondliepen, gingen hun marmotten of barbarijschen biggen voedsel geven.

Een zware tred klonk op de trap; ik voelde, dat het Garofoli was; ik zag daarop een klein, beweeglijk mannetje, met een waggelenden gang binnentreden; hij droeg geen italiaansche kleederdracht, maar had een grijze overjas aan.

Hij wierp het eerst een blik op mij; een blik, die mijn hart deed verstijven.

— Wat doet die jongen hier?

Mattia haastte zich om hem zoo beleefd mogelijk te antwoorden en hem mede te deelen wat Vitalis hem opgedragen had.

— O, is Vitalis in Parijs, antwoordde hij, wat wil hij van mij?

— Dat weet ik niet, hernam Mattia.

— Ik spreek niet tot u, maar wel tot dien knaap.

— De padrone komt zoo straks, zeide ik, zonder hem de waarheid te durven vertellen; hij zal u zelf wel zeggen wat hij wenscht.

— Nu, die kleine weet zijn woorden te wikken en te wegen. Gij zijt geen Italiaan?

— Neen, ik ben een Franschman.

Zoodra Garofoli binnengekomen was, waren twee kinderen hem genaderd en eerbiedig naast hem blijven staan, totdat hij uitgesproken had. Wat wilden zij van hem? Spoedig zou ik een antwoord op deze vraag ontvangen, die mijn nieuwsgierigheid gaande had gemaakt.

De een nam zijn hoed en legde dezen zorgvuldig op een bed; de ander schoof een stoel naderbij; dit alles gebeurde met den grootsten eerbied en plechtigheid en hieruit kon men opmaken hoe gevreesd Garofoli was, want zeker was het niet uit genegenheid, dat zij hem met zooveel ijver bedienden.

Toen Garofoli gezeten was, bracht een andere knaap hem zijn pijp, die met tabak gestopt was en een vierde snelde met een brandende lucifer naar hem toe.

— Die ruikt naar zwavel, kwajongen! riep hij, toen hij de lucifer bij zijn pijp bracht en hij wierp ze in de kachel.

De schuldige haastte zich om den misslag te herstellen. Hij nam eene andere lucifer, die hij weder aanstak en na ze even te hebben laten branden zijn meester aanbood.

Maar deze nam ze niet aan: