hardst lacht, de meeste stuivers ontbreekt. Wie heeft er hard gelachen?
Allen wezen naar den knaap, die het eerst met zijn blok hout tehuis gekomen was.
— Nu, zeg eens eerlijk, hoeveel komt gij te kort? vroeg Garofoli.
— Het is mijn schuld niet.
— Voortaan zal hij, die zegt: „het is mijn schuld niet", een zweepslag meer krijgen, dan hem toekomt; hoeveel ontbreken er bij u?
— Ik heb een stuk hout medegebracht; dit mooie stuk hout.
— Dat is wat; ga er mede naar den bakker en vraag hem in
ruil een brood. Zal hij het u geven? Hoeveel stuivers komt gij te kort? kom, spreek.
— Ik heb vijftien stuivers. Vijf stuivers ontbreken er dus aan, ellendige schooier, vijf stuivers, en gij durft nog voor mij verschijnen!
— Riccardo, gij zijt een gelukkige duivel! Gij zult pleizier ervan hebben! Doe uw vest los.
— Maar mijn blok hout! Ik geef het je voor je middagmaal.
Deze domme scherts deed de andere kinderen, welke niet veroordeeld waren, lachen.
Gedurende dit verhoor waren een tiental kinderen binnengekomen; allen kwamen op hun beurt met hem afrekenen; behalve de twee eersten, kwamen er nog drie, welke evenmin het aantal stuivers hadden opgehaald.
— Drie schelmen bestelen en plunderen mij dus? riep Garofoli met donderende stem; dat komt ervan, wanneer men te edelmoedig is; waarvan denkt gij wel, dat ik het vleesch en de aardappelen, die ik u geef, betalen moet, als gij niet werken wilt? Gij speelt liever; wie in het bosch is, moet met de wolven huilen en gij lacht liever. Gelooft gij niet, dat ge beter deedt wanneer gij schijnbaar huilend uw hand uitsteekt, dan wanneer gij in ernst huilt en me den rug toekeert? Kom, trek uw jassen uit!
Riccardo stond met zijn zweep in de hand, en de vijfschuldigen om hem geschaard.
— Gij weet. Riccardo, dat ik niet naar u omzie; want ik kan niet tegen zulke bestraffingen; maar ik hoor ze wel, en daaruit kan ik zeer goed opmaken, met hoeveel kracht gij ze geeft: doe het maar met hart en ziel, mijn jongen, gij werkt voor uw brood.
En hij ging met zijn gelaat naar het vuur staan, alsof hij onmogelijk deze tuchtiging zien kon. Ik zat in een, hoekje te sidderen van verontwaardiging en angst. Deze man zou mijn meester worden; als ik de twintig of dertig stuivers, die hij van mij eischen