— Waar bemoeit gij u mede, oude dwaas? vroeg Garofoli, plotseling van toon veranderende.
— Waar de politie zich mede bemoeien moest.
— De politie! riep Garofoli, terwijl hij opstond; gij dreigt mij met de politie?
— Ik, ja ik, hernam Vitalis zonder zich door den boozen padrone van zijn stuk te laten brengen.
— Luister Vitalis, begon dezen op bedaarden, zelfs spottenden toon, gij moet u niet zoo boos toonen, en mij dreigen, dat gij klappen zult, want ik zou van mijn kant evengoed dat kunnen doen. En wie zou er dan het ergste aan toe zijn? Gij kunt erop rekenen, dat ik er niets van aan de politie zeggen zal; uw zaken gaan haar niets aan. Maar er zijn andere menschen, die er belang in stellen en als ik hun eens vertelde wat ik wist, als ik hun maar een naam, een enkelen naam noemde, wie zou dan zijn schande moeten verbergen?
Mijn meester zweeg een oogenblik. Zijn schande? Ik stond versteend. Vóór ik den tijd nog gehad had om van mijn verbazing, welke door deze zonderlinge woorden was opgewekt, te bekomen, had hij mij bij de hand genomen.
— Volg mij.
Hij trok mij mede naar de deur.
— Wel, zeide Garofoli lachende, laten we weer goede vrienden zijn, oude: gij wildet mij spreken.
— Ik heb u niets meer te zeggen.
En zonder een woord verder te spreken, zonder zich zelfs om te keeren, ging hij de trap af, mij altijd vasthoudende. Met welk een verlicht hart volgde ik hem! Ik ontsnapte dus aan Garofoli; als ik gedurfd had, zou ik Vitalis wel hebben willen omhelzen.
XVIII.
DE STEENGROEVEN VAN GENTILLY.
Zoolang wij op straat en onder de menschen waren, liep Vitalis, zonder een woord te spreken, voort, maar zoodra wij een stil en afgelegen gedeelte der stad bereikt hadden, ging hij op een paal zitten, en wreef met de hand over het voorhoofd, hetgeen hij altijd deed, wanneer hij in verlegenheid was.
— Het is heel mooi en wel om aan zijn goed hart gehoor te geven, zeide hij, alsof hij tot zich zelf sprak, maar met dat al staan wij nu op de straat, zonder een cent in den zak, of een stuk brood in de maag. Hebt gij honger?