Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/174

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Arme Capi! hij, die zoo menigmaal als een goed acteur de begrafenis van Zerbino gevolgd was en dan altijd zulk een treurige houding wist aan te nemen en daarbij zoo steunde en jammerde, dat soms de kleinen aan zijn verdriet geloofden

De tuinman en zijn kinderen lieten mij toen alleen, en zonder zelf recht te weten wat ik deed of wat ik wilde doen, stond ik op.

Mijn harp lag aan het voeteinde van mijn bed; ik hing het koord om mijn hals, en begaf mij naar de kamer, waar de tuinman en zijn kinderen zaten. Ik moest wel vertrekken, maar waarheen, dat wist ik niet..., ik had er zelfs niet het minste begrip van, en ik vertrok, maar ik gevoelde dat ik vertrekken moest....

Toen ik in het zachte bed ontwaakte, gevoelde ik mij niet ziek, een weinig stijf en mijn hoofd brandde mij als vuur; maar toen ik eenmaal op was, dacht ik, dat ik zou neerstorten en ik moest mij aan een stoel vastgrijpen. Toch, na een oogenblik gerust te hebben, opende ik de deur en toen was ik weder bij den tuinman en de kinderen.

Zij zaten aan een tafel, bij een helder vuur, dat in een hoogen schoorsteen brandde waren bezig een lekkere warme soep te eten.

De reuk van de soep wekte weder mijn honger op; ik voelde dat ik in onmacht raakte en wankelde. Mijn machteloosheid lag op mijn gelaat te lezen.

— Zijt ge niet wel, mijn jongen? vroeg de tuinman mij op deelnemenden toon.

Ik antwoordde, dat ik mij ongesteld gevoelde en, als men het mij toestond, ik gaarne een oogenblik bij het vuur ging zitten.

Maar aan warmte gevoelde ik thans geen behoefte, meer aan voedsel; het vuur bracht mij niet bij en de damp, die uit den soepketel steeg, het rinkelen der borden, het klokken van de tong van hen, die aten, dat alles deed mijn zwakte nog toenemen.

Als ik gedurfd had, zou ik om een bord soep gevraagd hebben, maar Vitalis had mij geen bedelen geleerd en ook had de natuur mij niet tot een bedelaar geschapen; liever zou ik van honger omgekomen zijn dan mijn honger bekend te hebben. Waarom, dat weet ik zelf niet; misschien omdat ik nooit om iets heb willen vragen, wat ik niet terug heb kunnen geven.

Het meisje met haar verwonderde oogen, dat geen woord sprak en door haar vader Lize genoemd werd, had haar lepel nedergelegd en staarde mij onafgebroken aan. Eensklaps stond zij van tafel op, nam haar bord, dat nog vol soep was en bracht dat mij.