trok zij mij voort naar een gekleurde plaat, die tegen den muur hing: zij stelde een heiligen Johannes voor in een schapevacht.
Zij wenkte haar vader en broeders om naar de plaat te zien en tegelijkertijd strekte zij de hand naar mij uit, streek over mijn schapevacht en wees naar mijn haren, welke, evenals die van Johannes, in het midden gescheiden waren en golvend over mijn schouders hingen.
Ik begreep, dat zij een gelijkenis tusschen Johannes en mij vond en zonder te weten waarom, deed mij dit toch genoegen en trof het mij.
— Het is waar, sprak haar vader; hij lijkt op den heiligen Johannes.
Lize klapte in de handen.
— Welnu, hernam haar vader, op zijn voorstel terugkomende, hebt gij er lust in?
Een familie!
Ik zou dus een familie hebben! O, hoe menigmaal bleek deze geliefkoosde droom ijdel geweest te zijn: vrouw Barberin, mevrouw Milligan. Vitalis, de een na de ander waren mij ontvallen.
Ik zou niet langer alleen op de wereld zijn.
Mijn toestand was vreeselijk: ik had een man zien sterven, met wien ik jaren achtereen geleefd had en die voor mij altijd een vader geweest was. Op hetzelfde oogenblik had ik een metgezel verloren, een makker, een vriend, mijn goeden, besten Capi, van wien ik zooveel hield en die ook een groote gehechtheid voor mij had opgevat en toch, toen de tuinman mij voorstelde om bij hem te blijven, begon ik weder eenig vertrouwen in mijn toekomst te stellen.
Alles was dus nog niet voor mij verloren: het leven kon dus weder voor mij beginnen.
En wat mij nog het meest aantrok, meer nog dan mijn brood, dat ik verdienen zou, was die kring, dat familieleven, dat men mij beloofde.
Die jongens zouden mijn broeders zijn.
Die mooie lieve Lize mijn zuster.
In mijn kinderlijke droomen had ik mij meer dan eens voorgesteld, dat ik mijn vader en moeder zou weervinden, maar nooit had ik aan broeders of zusters gedacht.
En nu boden zij zich aan.
Zij waren het niet in werkelijkheid, dat was waar, maar door hun vriendschap konden zij het worden; ik behoefde ze daarvoor slechts lief te hebben (en ik voor mij wenschte niets liever) en om mij door hen te laten beminnen zou niet moeilijk zijn, want zij schenen mij allen even goed toe.
Haastig ontdeed ik mij van mijn harp.
— Dat is zijn antwoord, zeide de vader lachende, en het is een