Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/183

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Dit was inderdaad het eenvoudigste en gemakkelijkste wat men doen kon. Toch weigerde de tuinman dezen raad op te volgen.

Daar hij voor onze deur is gevallen en niet voor die van het gasthuis, zoo moeten wij hem ook bij ons houden.

De geneesheer trachtte op allerlei wijzen hem van dit denkbeeld af te brengen, maar niets mocht baten. Men moest mij houden en men hield mij bij zich.

En bij al haar drukke bezigheden nam Martha nog de rol van ziekenverpleegster op zich; zij verzorgde mij liefderijk, geheel volgens het voorschrift, evenals de zusters dat in het gasthuis doen, zonder ooit eenig ongeduld daarbij aan den dag te leggen. Als zij mij een oogenblik verlaten moest om haar huishouden te besturen, dan nam Lize haar plaats in en dikwijls zag ik deze, in mijn koorts, aan het voeteinde van mijn bed, terwijl zij haar groote oogen aanhoudend op mij gevestigd hield. In mijn verward brein meende ik, dat zij mijn beschermengel was en ik sprak haar toe zooals men tot een engel spreekt, aan wien men zijn wenschen en verlangen vertelt.

Sedert dien tijd gewende ik mij, haar als een ideaal wezen te beschouwen, dat door een soort van stralenkrans omgeven was en ik kon nooit mijn verbazing meester blijven, wanneer ik haar zag deelnemen aan het gewone huiselijke leven, juist wanneer ik meende, dat zij haar groote witte vleugels zou uitspreiden.

Ik leed veel gedurende mijn lange ziekte; telkens stortte ik weder in, zoodat bloedverwanten misschien den moed zouden hebben opgegeven, maar Martha verloor haar geduld niet en bleef mij trouw oppassen. Nachten achtereen moest er bij mij gewaakt worden, want ik had dikwijls zulke benauwdheden, dat men bevreesd was, dat ik er in stikken zou. Alexis en Benjamin waakten beurtelings bij mij.

Eindelijk vertoonde zich eenige beterschap; maar daar ik nu eens erger, dan weder beter was, moest ik wachten tot het voorjaar aanbrak en dit de velden bij de Glacière met een groen waas overtoog.

Lize, die niet werkte, nam weder de plaats van Martha in. Met haar wandelde ik langs de oevers van de Bièvre. Tegen den middag, als de zon hoog aan den hemel stond, begaven we ons samen hand aan hand op weg, door Capi gevolgd. Het was een mooi en zacht voorjaar, tenminste ik heb dien lieflijken indruk ervan behouden, hetgeen toch eigenlijk op hetzelfde neerkomt. Dagelijks bezochten wij het dal, dat niet ver van onze woning verwijderd lag.

Natuurlijk sprak Lize onderweg nooit, maar, zonderling genoeg, wij hadden ook geen woorden noodig, want als wij elkander aan-