Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/19

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

— En toen?

— Een geruime tijd ging er voorbij. Toen ik zoolang gewacht had, kon ik ook nog wel wat langer wachten.

— Hoe oud is hij nu?

— Acht jaar.

— Welnu, dan zal hij op zijn achtste jaar daarheen gaan, waar hij vroeger naar toe had gezonden moeten worden en dat zal nu niet prettiger voor hem zijn; dat heeft hij er dus mede gewonnen.

— O Jërôme, dat zult gij toch niet doen!

— Zou ik dat niet doen? En wie zal mij dat verhinderen? Meent ge dan, dat wij hem altijd bij ons kunnen houden?

Zij zwegen toen een oogenblik en ik kon even ademhalen; van angst en schrik werd mijn keel als toegeknepen.

Vrouw Barberin echter hervatte weder:

— Wat heeft Parijs u veranderd; vóór dien tijd zoudt gij nooit zoo gesproken hebben.

— Misschien wel. Maar zeker is het, dat zoo Parijs mij veranderd heeft, het mij ook achteruit heeft doen gaan. Hoe zullen wij voortaan onzen kost verdienen? Ons geld is op. De koe is verkocht. En moeten we dan nog, wanneer we zelf niets te eten hebben, aan een vreemd kind den kost geven?

— Het is het mijne.

— Het is evenmin het uwe als het mijne. Het is geen boerenjongen. Ik zag hem onder het avondeten nog eens aan; het is een fijne, magere knaap, die geen armen of beenen aan zijn lijf heeft.

— Het is het mooiste kind uit den ganschen omtrek.

— Dat hij niet mooi is, dat beweer ik ook niet. Maar ferm! Zal zijn mooi gezicht hem te eten geven? Kan men met zulke tengere schoudertjes, als hij heeft, flink werken? Hij is een stadskind en stadskinderen kunnen we hier niet gebruiken. — Ik verzeker u, dat hij een flinke jongen is en hij is zoo slim als een kat en goedhartig.... Hij zal wel voor ons werken.

— Intusschen moeten wij eerst voor hem werken, en ik kan niet meer werken.

— En wanneer zijn ouders hem nu opeischen, wat zult ge dan zeggen?

— Zijn ouders. Heeft hij ouders? Als hij ze had, zouden ze hem reeds lang gezocht en in die acht jaar hem zeker wel gevonden hebben. Ba! wat ben ik dom geweest te gelooven dat zijn ouders op een goeden dag te voorschijn zouden komen en ons de moeite, die we aan zijn opvoeding besteed hebben zouden betalen. Ik ben een domkop, een ezel geweest. Omdat hij in fijne luiers gewikkeld lag en kant aan zijn goed had, wilde dat nog niet zeggen, dat zijn ouders hem zoeken zouden. Bovendien, zij zijn misschien wel dood.