Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/196

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

een zeer verstandige vrouw en zal ons, wanneer zij hier is, stellig ten beste raden.

Het was voor de eerste maal, dat ik een brief schreef: het was een moeilijke en zware taak, die mij werd opgelegd.

Hoewel, na alles wat Acquin ons had medegedeeld, voor ons niet veel overschoot om op te rekenen, behielden we toch altijd nog eenige hoop en in den toestand, waarin wij verkeerden, was deze hoop van veel waarde voor ons.

Wat hoopten wij?

Dat wisten we zelf niet; maar we hoopten; Katharina zou bij ons komen en zij was een vrouw, die verstand van zaken had; dat was voor onwetende en eenvoudige kinderen, zooals wij waren, reeds voldoende.

Zij kwam echter niet zoo spoedig als wij ons hadden voorgesteld en de deurwaarder en de justitie verschenen eer dan zij.

Vader Acquin wilde zich juist naar een zijner vrienden begeven, toen hij, zijn huis verlatende, plotseling tegenover hen stond; ik vergezelde hem en in een oogwenk waren we allen om hem heen. Maar hij wilde niet vluchten. Ik zag hem verbleeken en met een zwakke stem vroeg hij den agenten verlof, zijn kinderen vaarwel te mogen zeggen.

— Gij moet er niet zoo wanhopend onder zijn, vriendlief; wanneer men voor schulden in de gevangenis gaat, is het nog zoo erg niet.

Wij keerden in huis terug, door de agenten gevolgd.

Ik ging de jongens uit den tuin roepen.

Toen wij weer bij hun vader kwamen, hield deze Lize in zijn armen, die luid weende.

Een van de agenten fluisterde hem toen iets in, wat ik niet verstaan kon.

— Ja, gij hebt gelijk; het moet, antwoordde Acquin.

Hij richtte zich eensklaps op, zette Lize op den grond, die zich echter aan hem vastklemde en zijn hand niet wilde loslaten.

Hij drukte toen Martha. Alexis en Benjamin een kus op het voorhoofd.

Ik had mij in een hoekje teruggetrokken om ongestoord mijn tranen te kunnen laten vloeien, hij riep mij:

— En gij Rémi? komt gij mij niet goedendagzeggen? zijt gij ook geen kind van mij?

Wij waren buiten ons zelf van smart.

— Blijf, beval Acquin, ik beveel het u. En haastig vertrok hij, nadat hij Lize's hand in die van Martha gelegd had.

Ik wilde hem volgen en begaf mij reeds naar de deur, toen Martha mij terughield.