— En zoo ze dat niet zijn? Als ze hem eens komen opeischen? Ik geloof stellig dat zij komen zullen.
— Wat zijn die vrouwen toch koppig!
— Nu, wanneer zij komen?
— Welnu, dan zenden wij ze naar het gesticht. Maar genoeg hierover; het verveelt mij. Morgen zal ik hem bij den burgemeester brengen. Vanavond ga ik nog eens naar François. Binnen een uur ben ik terug.
De deur ging open en weder toe. Hij was vertrokken.
Ik zette mij plotseling overeind en riep vrouw Barberin.
— O, moeder!
Zij snelde naar mij toe.
— Zult gij mij naar het gesticht laten gaan?
— Neen, lieve Remi, neen.
Zij gaf mij toen een kus en drukte mij in haar armen.
Die liefkoozing gaf mij weder een weinig moed en ik begon te weenen.
— Gij sliept dus niet? fluisterde zij.
— Dat was mijn schuld niet.
— Nu, ik beknor u ook niet; dus gij hebt alles gehoord wat Jérôme zeide?
— Ja, gij zijt mijn moeder niet, maar hij is ook mijn vader niet.
Ik zeide dit niet op denzelfden toon, want al speet het mij dat zij mijn moeder niet was, het deed mij toch genoegen, ik was er trotsch op, dat hij mijn vader niet was. Van daar die tegenstrijdigheid in mijn gevoelens, die in mijn stem lag opgesloten.
Maar vrouw Barberin sloeg daar geen acht op.
— Misschien had ik u de waarheid reeds vroeger moeten zeggen; maar ik hield zooveel van u, alsof ge werkelijk mijn eigen kind waart, zoodat ik, zonder aanleiding, er niet toe komen kon, u te zeggen, dat ik uw moeder niet was. Uw moeder, lieveling, dat hebt ge gehoord, is niet bekend. Leeft zij, ja of neen. Dat weet men niet. Toen Jérôme op een morgen, in Parijs, zich naar zijn werk begaf en door de straat Breteuil ging, een breede straat, die aan beide zijden met boomen beplant is, hoorde hij een kind schreeuwen. Het scheen van achter een deur te komen. Het was in Februari en nog zeer vroeg in den ochtend. Hij naderde de deur en zag een kind op den drempel liggen. Juist toen hij iemand wilde roepen, zag hij een man, die zich achter een dikken boom verscholen had, hard wegloopen. Ongetwijfeld had die man zich daar verborgen om te zien of men het kind, dat hij daar had neergelegd, vinden zou. Jérôme wist niet wat te doen, daar het kind uit alle macht schreeuwde alsof het begreep, dat, er hulp was komen opdagen en het die gelegenheid niet voorbij moest laten gaan. Terwijl Jérôme bij zich zelf overlegde wat hem