Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/209

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ALLEEN OP DE WERELD.



TWEEDE DEEL.

I.
VOORWAARTS.


Voorwaarts!

De wijde wereld lag daar voor mij open, het deed er niet toe, naar welken kant ik mijn schreden richtte, het kwam er niet op aan of ik naar het noorden of het zuiden, het oosten of het westen ging, ik was geheel vrij.

Hoewel ik nog maar een knaap was, zoo was ik geheel mijn eigen meester.

Helaas! juist dit was het meest treurige van mijn toestand. Er zijn kinderen, die dikwijls bij zichzelf zeggen: „Ach, kon ik maar doen, wat ik gaarne wilde! " en die met verlangen den dag tegemoetzien, waarop zij van hun vrijheid kunnen gebruik maken..., om dwaasheden te begaan.

Ik dacht bij mezelf: „Ach, had ik toch maar iemand, die mij kon raden en leiden."

Tusschen die kinderen en mij was er dus een treurig onderscheid.

Wanneer zij eene dwaasheid begaan, dan hebben zij altijd iemand in hun nabijheid, die hun de hand reikt wanneer zij struikelen, of om hen op te beuren als zij gevallen zijn, terwijl ik niemand had. Als ik struikelde, zou ik moeten vallen en alleen beproeven op te staan, zoo ik althans nog instaat was om op te staan.

Ik had genoeg ondervinding om te begrijpen, dat dit mijn toestand wezen kon — hetgeen mij, ik moet het bekennen, wel eenigen angst aanjoeg.

Hoewel nog zeer jong, was ik reeds menigmaal door het ongeluk getroffen en er dus meer op bedacht voorzichtiger te