Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/212

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

arme ongelukkige, zooals ik ben, heeft geen recht van spreken.

Zijn woorden hadden mij diep getroffen, vooral daar ik dit ongeveer tot mezelf ook reeds gezegd had.

Ja, het was gewaagd om geheel alleen langs de groote wegen te loopen; ik gevoelde dat, ik zag het zelf ook in, en wanneer men, zooals ik, reeds een zwervend leven geleid had, als men nachten had moeten doorbrengen als die, toen onze honden door de wolven verslonden werden, of die als in de steengroeven van Gentilly; wanneer men het eene dorp na het andere wordt uitgejaagd, zonder een stuiver te verdienen, zooals mij overkomen was, toen Vitalis in de gevangenis zat, dan wist men ook aan welke gevaren men zich blootstelde, en welk een ellende zulk een zwervend leven medebrengt, als men nooit zeker kan zijn van den dag die volgen moet, als zelfs het uur geen zekerheid kan geven.

Maar zoo ik dit leven varen liet, dan schoot mij slechts één ding over, wat vader Acquin mij ook aan de hand gedaan had — een dienst zoeken, en ik wilde niet in dienst gaan. Misschien was het een zeer verkeerde trots van mij, vooral in mijn toestand; maar ik had een meester gehad, aan wien ik verkocht was geworden, en hoewel deze zeer goed voor mij geweest was, wenschte ik thans'toch geen ander, dat stond bij mij vast.

Wat mij nog meer besluiten deed, bij mijn voornemen te blijven om een vrij leven te leiden, was de belofte, die ik aan de kinderen van Acquin had gedaan, want dan zou ik ze aan hun lot moeten overlaten. 't Is waar, zij konden zeer goed buiten mij, want zij zouden elkander kunnen schrijven; maar Lize! Lize niet, want zij kon niet schrijven en tante Katharina evenmin. Lize zou dus voor ons verloren zijn, als ik haar niet bezocht. Wat zou zij van mij denken? Zij kon niet anders denken, dan dat ik niet meer van haar hield, van haar, die altijd even lief voor mij geweest was, zij, die mij steeds gelukkig had gemaakt. Dat was niet mogelijk.

— Wilt gij dan niet, dat ik u nu en dan eenige tijding van ze breng? vroeg ik hem.

— Zij hebben mij daar iets van verteld; maar ik dacht ook niet aan ons, toen ik u aanraadde om van uw muzikanten-leven af te zien; men moet niet eerst aan zich zelf denken en dan aan anderen.

— Juist, vader; gij ziet dus dat gij mij zelf aanwijst, wat mij te doen staat; wanneer ik van mijn voornemen afzie, uit vrees voor de gevaren, waarvan gij spreekt, dan zou ik aan mezelf denken en niet aan u en aan Lize.

Hij zag mij weder aan, maar nu nog langer; daarop vatte hij eensklaps mijn beide handen.