Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/220

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Daarvoor moest ik eerst mijn kaart raadplegen.

Wij bevonden ons nu geheel buiten en wij konden zeer goed een oogenblik uitrusten, zonder dat we bevreesd behoefden te zijn gestoord te worden.

— Als gij het goedvindt, zeide ik tot Mattia, dan zullen we hier wat uitrusten.

— Vindt ge het goed, dat we nu wat praten?

— Hebt gij mij iets te zeggen?

— Ja.

Ik haalde uit mijn reiszak de kaart te voorschijn en spreidde die op het gras uit. Het duurde lang eer ik mij goed op de hoogte gesteld had, maar eindelijk gelukte het mij toch mijn weg af te bakenen: Corbeil. Fontainebleau. Montargis. Gier. Bourges. Saint-Amand. Montlucour. Wij konden dus zeer goed naar Chavanon gaan en als het ons nu wat medeliep, dan zouden we op weg geen honger behoeven te lijden.

— Wat is dit? vroeg Mattia, op de kaart wijzende.

Ik legde hem toen uit wat het was en waartoe het diende, met ongeveer dezelfde woorden, als Vitalis gebruikt had, toen hij mij de eerste les in de aardrijkskunde gaf.

Hij luisterde aandachtig, terwijl hij mij strak aanzag.

— Maar dan moet men kunnen lezen.

— Zeker; kunt gij dan niet lezen?

— Neen.

— Wilt gij het leeren?

— O ja, dat wil ik gaarne.

— Welnu, dan zal ik het u leeren.

— Kan men dan op de kaart den weg van Gisors naar Parijs vinden.

— Zeker, zeer gemakkelijk zelfs.

En ik wees hem dien op de kaart.

In het eerst wilde hij niet gelooven wat ik hem vertelde, terwijl ik met mijn vinger den weg op de kaart volgde.

— Ik heb hem te voet afgelegd, zeide hij, en die weg was veel verder.

Ik legde hem toen zoo goed mogelijk, hoewel niet zeer duidelijk, uit, op welke wijze de afstanden op de kaart worden aangewezen; hij luisterde wel naar mij, maar scheen niet zeer veel vertrouwen in mijn wetenschap te stellen.

Toen ik mijn zak geopend had, kwam ik op de gedachte om hem eens nader te onderzoeken en ik was ook blijde, dat ik al mijn schatten eens aan Mattia kon laten zien. Ik legde ze allen op het gras.

Ik bezat drie linnen hemden, drie paar kousen, vijf zakdoeken; alles was zeer goed in orde, behalve een paar halfversleten schoenen.