Naar inhoud springen

Pagina:Malot, Alleen op de wereld (vert. Keller 1880).pdf/227

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Den anderen dag maakte ik Mattia met mijn plan bekend, die er zich volstrekt niet tegen verzette.

Laten wij naar Varses gaan, zeide hij; de mijnen zijn zeer belangrijk, vooral daar ik er nooit een gezien heb.




II.
EEN ZWARTE STAD.

Het is een lange weg van Montargis naar Varses, dat in het midden van de Cevennes op de helling van den berg ligt, die zich naar de Middellandsche Zee buigt; vijf- of zeshonderd mijl recht toe recht aan. Voor ons was hij zelfs wel duizend mijl, daar wij genoodzaakt waren verscheidene omwegen te maken, om onze levenswijs te kunnen voortzetten. Wij moesten heel wat steden en dorpen opzoeken om eene goede som te maken.

Bijna drie maanden hadden wij noodig om den weg af te leggen, maar toen wij in de nabijheid van Varses kwamen, mocht ik dan ook, nadat ik mijn geld had nageteld, de voldoening smaken, mijn tijd goed besteed te hebben; in mijn leeren beurs had ik vijf- en-tachtig gulden, die ik bespaard had op mijn uitgaven; ik kwam dus nog vijftien gulden te kort voor de koe, die ik voor vrouw Barberin koopen wilde.

Mattia was hierover bijna even zoo blij als ik en hij was er niet weinig trotsch op, dat hij er van zijn kant ook veel toe bijgebracht had om zulk een aanzienlijke som bijeen te garen. Zijn aandeel was dan ook werkelijk groot, want zonder hem en vooral zonder zijn waldhoren, zouden Capi en ik nooit vijf-en-tachtig gulden opgezameld hebben.

Van Varses naar Chavanon zou het ons stellig wel gelukken om de vijftien gulden, die ons nog ontbraken, te verdienen.

Varses, waar wij het eerst aankwamen, was een honderd jaar geleden een arm dorp, dat als in de bergen verloren lag en slechts bekend was door de kinderen van God, die onder de leiding stonden van Jean Cavalier. Haar ligging, middenin de bergen, was vooral zeer belangrijk gedurende de vervolging der Camisards, maar die ligging was daarentegen ook juist oorzaak van de armoede, welke er heerschte. Omstreeks 1750 ontdekte een bejaard edelman, die een manie voor opdelvingen had, verscheidene kolenmijnen te Varses en sedert dien tijd voorzag deze stad met Alais en Saint-Gervais het zuiden van Frankrijk van steenkolen en