ziet er akelig en somber uit: een kring van naakte rotsen, waarop boom noch plant groeit, is bedekt met eene laag grijsachtige steenen, waardoor hier en daar de roode bodem zichtbaar is. Aan den ingang der vallei zijn de gebouwen die voor de exploitatie der mijn dienen, bergplaatsen van karren, stallen, magazijnen, kantoren en de schoorsteenen der stoommachines. Daaromheen lagen hooge stapels steenkolen en steenen.
Toen wij die gebouwen genaderd waren, trad een jonge vrouw met een verwilderd voorkomen en loshangende haren ons tegemoet; zij sleepte een klein kind met zich voort; zij hield ons staande en vroeg mij:
— Weet gij een koelen weg? Ik zag haar verbaasd aan.
— Ja, een weg waarop boomen staan, waar het lommerrijk is en waarlangs een beekje kabbelt en waar de vogels tjilpen.
En zij begon zachtkens te fluiten.
— Zijt gij niet langs dien weg gekomen? vervolgde zij, toen ik haar geen antwoord gaf, maar zonder, naar het scheen, mijn verbazing op te merken; dat spijt mij. Hij is dus zeker nog ver. Is hij rechts of links? Wees zoo vriendelijk het mij te zeggen, mijn jongen, want ik zoek hem en kan hem niet vinden.
Zij sprak zeer snel, terwijl zij onophoudelijk met haar eene hand wuifde en met de andere over het hoofd van het kind streek.
— Ik vraag u naar dien weg, want ik weet zeker, dat ik Marius daar vinden zal. Hebt gij Marius gekend? Niet? Welnu, hij is de vader van mijn kind. Toen het mijngas zich ontwikkelde, vluchtte hij naar dien koelen weg; hij wandelt nu slechts op de koele wegen, daar die goed zijn voor zijn brandwonden. Hij weet ze te vinden, maar ik niet; daarom heb ik hem al in geen halfjaar gezien. Een halfjaar is lang, wanneer men elkaar liefheeft. Een halfjaar, zes maanden!
Zij keerde zich naar de gebouwen der mijn en wees toen met eene onstuimige beweging naar de schoorsteenen van de machine, waaruit dikke rookkolommen omhoog stegen.
— Werken in de duisternis zijn duivels werken! riep zij uit. Hel, geef mij mijn vader en mijn broeder en Marius terug; vervloekt zijt gij!
Daarop keerde zij zich weder tot mij.
— Gij zijt hier niet vandaan, nietwaar? Uw schapevacht en uw hoed zeggen mij, dat gij van verre komt: ga naar het kerkhof; tel een, twee, drie, een, twee, drie, allen zijn ze in de mijn omgekomen.
Daarop greep zij haar kind en drukte het in haar armen.
Gij krijgt mijn kleinen Pierée niet, nooit!..., het water is zoet, het water is frisch. Waar is de weg? Daar gij het niet weet,